Vijf jaar geleden beloofden de regeringsleiders op de G20-top in Washington DC dat ze de wereld niet opnieuw zouden laten verglijden in economisch isolationisme. Ze zijn er slechts ten dele in geslaagd hun belofte te houden. Ze hebben zich niet teruggetrokken in het extreme protectionisme van de jaren dertig, maar de wereldeconomie is wel minder open geworden. Na twee decennia van toenemend vrij verkeer van personen, kapitaal en goederen, zijn opnieuw barrières opgetrokken.
...

Vijf jaar geleden beloofden de regeringsleiders op de G20-top in Washington DC dat ze de wereld niet opnieuw zouden laten verglijden in economisch isolationisme. Ze zijn er slechts ten dele in geslaagd hun belofte te houden. Ze hebben zich niet teruggetrokken in het extreme protectionisme van de jaren dertig, maar de wereldeconomie is wel minder open geworden. Na twee decennia van toenemend vrij verkeer van personen, kapitaal en goederen, zijn opnieuw barrières opgetrokken. Vrijwel alle landen aanvaarden nog wel het principe van internationale handel en investeringen, maar ze kiezen zorgvuldiger met wie ze handel willen drijven, welk type van kapitaal ze willen binnenlaten en hoeveel vrijheid ze geven om zaken te doen in het buitenland. Ze willen van de voordelen van de globalisering genieten, maar ze willen zich nu ook zo veel mogelijk afschermen van de nadelen, of dat nu onstabiele kapitaalstromen zijn of een snel toenemende import. De globalisering zoals we ze voor 2008 kenden, is duidelijk gestokt. De wereldleiders kloppen zich op de borst dat ze sinds het uitbreken van de crisis protectionisme konden vermijden. Volgens de conventionele maatstaven hebben ze ook gelijk: volgens de Wereldhandelsorganisatie (WTO) heeft de handel sinds 2008 nauwelijks geleden onder uitdrukkelijke beperkingen van de import. Maar het verborgen protectionisme tiert welig, vaak in de vorm van exportbevordering of industriebeleid. De vrijmaking van de handel is niet opgegeven, maar de focus is wel verschoven van de WTO naar regionale en bilaterale akkoorden (zie kader Nieuwe bazen, nieuwe wetten). Wat de directe buitenlandse investeringen betreft, is er nog altijd een tendens naar liberalisering, maar het aantal restricties neemt toe. In december liet Canada bijvoorbeeld toe dat een Chinees staatsbedrijf een Canadese oliezandonderneming overnam, maar het liet wel verstaan dat het de laatste keer zou zijn. "Als we zeggen dat Canada 'open for business' is, bedoelen we niet dat Canada te koop staat voor buitenlandse ondernemingen", legde eerste minister Stephen Harper toen uit. Ook het personenverkeer tussen landen wordt voorzichtiger gemanaged dan voor de crisis. De grenzen zijn niet gesloten voor immigranten, maar de toelatingscriteria zijn verstrengd. Tegelijkertijd hebben heel wat landen wel inwijking gemakkelijker gemaakt voor schaarse hooggeschoolde werkkrachten en voor ondernemers. Er tekent zich een duidelijk stramien af: meer overheidsinterventie in de geld- en goederenstromen, meer regionalisering van de handel naarmate landen eerder overhellen naar gelijkgezinde buren en meer wrijvingen naarmate nationaal eigenbelang het haalt op internationale samenwerking. Die shift heeft veel te maken met de tanende hegemonie van het Westen. De crisis bracht de gebreken van het westerse kapitalisme pijnlijk aan het licht. De overtuiging dat de markt zelfregulerend kon werken, opende de deur voor speculatieve en ondoorzichtige, grensoverschrijdende blootstelling. Toen de crisis toesloeg, eerst in Amerika en daarna in Europa, kon ze zich door het ontbreken van barrières onmiddellijk verspreiden. De kiezers, die sowieso al nooit erg te vinden waren geweest voor open grenzen, trokken het zich erg aan en de steun voor de antiglobaliseringpartijen nam toe. Tegelijk bleken landen als China en India en andere opkomende markten (Brazilië, Rusland), in veel betere vorm uit de crisis te komen dan de rijke, westerse wereld. Dat hadden ze naar eigen zeggen te danken aan hun staatskapitalisme, dat ze bestempelden als superieur aan het westerse kapitalisme van open markten en minimale overheidsinmenging, zoals dat voor 2008 opgeld deed. Het bedrijfsleven ondervindt die shift aan den lijve. "Zodra onze bedrijven naar groeimarkten trekken als China en Rusland, gelden onze westerse vrijemarktregels niet langer", zegt Filip Abraham, professor internationale economie aan de KU Leuven en de Vlerick School. "In die landen met hun staatsgeleide kapitalisme stelt de overheid de belangen van de eigen bedrijven voorop. Als een buitenlands bedrijf een overname wil doen in pakweg China, wordt het vaak gedwongen een joint venture aan te gaan en zijn technologie over te dragen. Veel Chinese bedrijven konden zo geduchte spelers worden op de westerse markten, waar ze nu zelf volop overnames doen. Kijk maar naar de overname van Volvo door Geely. Dat zal je almaar meer zien gebeuren, ook met Indiase of Braziliaanse bedrijven in de rol van overnemer. De concurrentieverhoudingen zijn aan het veranderen, zowel op de buitenlandse als op onze eigen markten." Het staatskapitalisme kent evenwel ook structurele gebreken, die nu nadrukkelijker aan het licht komen. In China hebben de staatsbedrijven en de door de overheid gestuurde leningactiviteit kredieten weggetrokken van de privésector en een vastgoedzeepbel gevoed. In India en Brazilië hebben gebrekkige investeringen in infrastructuur geleid tot hogere inflatie en een scherpe vertraging van de groei. Hier en daar beperkingen opleggen, is niet noodzakelijk een slechte zaak. Banken ervan weerhouden in vreemde deviezen te lenen bijvoorbeeld, zoals Zuid-Korea gedaan heeft, maakt het minder waarschijnlijk dat ze over de kop gaan als de wisselkoers daalt. Maar er zijn ook verdoken kosten aan verbonden. Beleidslui overschatten stelselmatig hun vermogen om het onderscheid te maken tussen goed en slecht geld, of tussen export en innovatie bevorderen en gevestigde belangen vrijwaren. De vrijmaking van voor de crisis heeft wonderen verricht om kapitaal naar de beste investeringsmogelijkheden te versassen, de prijzen voor de consumenten te verlagen en de concurrentie te stimuleren. Als dat proces gehinderd wordt, zet dat een rem op het groeipotentieel van een land.THE ECONOMISTHet verborgen protectionisme tiert welig, vaak in de vorm van exportbevordering of industriebeleid. Iedereen wil van de voordelen van de globalisering genieten, maar zich nu ook zo veel mogelijk afschermen van de nadelen.