Je kan ze op de vingers van één hand tellen. Economen die vernieuwend werk verrichten als academici, als spelbepalende figuren in beleidsmateries en dan ook nog met bravoure en succes overstappen naar een topfunctie in de privé-sector. Stanley Fischer (60) is zo iemand. Hij kreeg een economische opleiding aan de London School of Economics en het Massachusetts Institute of Technology, bekleedde topfuncties bij de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds, en werd begin vorig jaar vice-voorzitter van Citi- group en president van Citigroup International.
...

Je kan ze op de vingers van één hand tellen. Economen die vernieuwend werk verrichten als academici, als spelbepalende figuren in beleidsmateries en dan ook nog met bravoure en succes overstappen naar een topfunctie in de privé-sector. Stanley Fischer (60) is zo iemand. Hij kreeg een economische opleiding aan de London School of Economics en het Massachusetts Institute of Technology, bekleedde topfuncties bij de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds, en werd begin vorig jaar vice-voorzitter van Citi- group en president van Citigroup International. Fischer mocht eerder dit jaar de prestigieuze Ely Lecture houden op de jaarvergadering van de American Economic Association. Als een van de meest toonaangevende economen van zijn generatie, zette Fischer een uitermate uitgebalanceerde analyse van de toenemende globalisering neer. Met Trends boomt hij er verder op door. STANLEY FISCHER (CITIGROUP). "We moeten een onderscheid maken tussen de kortere termijn en de lange termijn. De kortere termijn is voor mij pakweg de komende tien jaar. Ik acht het perfect mogelijk - let wel: mogelijk, niet onvermijdelijk - dat er zich in het komende decennium ontwikkelingen voordoen die ons dwingen om een of meerdere stappen achteruit te zetten op onze weg naar globalisering. Ik vrees vooral de aantrekkingskracht van het protectionisme. Vooral voor niet-economisch geschoolden klinkt de keuze voor protectionisme in internationale handelsrelaties vaak als een evidentie, zowel in de rijke als in de arme landen. De conferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Cancún is mislukt, maar we moeten blijven hopen dat de Doha-ronde voor vrijmaking van de wereldhandel uiteindelijk toch tot successen zal leiden. Van het grootste belang daarvoor is de bereidheid van Europa, Amerika en Japan om hun landbouwsubsidies af te bouwen. "Op de lange termijn beschouw ik globalisering als een onomkeerbaar proces. Er is niet alleen de technologische vooruitgang die ons in die richting zal duwen, het ligt ook in de menselijke natuur om steeds opnieuw nieuwe horizonten op te zoeken."FISCHER. "Ik maak mij zorgen om de transatlantische relaties. Het vertrouwen tussen Amerika en het oude Europa lijkt me diep geschokt, en dat kan nooit goed zijn voor de wereldwijde economische ontwikkelingen. Als er niet snel ernstige initiatieven komen om die vertrouwensbreuk te herstellen, kan er niet alleen voor die twee partijen maar ook voor de rest van de wereld een nadelige situatie ontstaan. De voorbije maanden had ik echter wel de indruk dat de economische relaties tussen de VS en Europa vrij gunstig bleven. "Er klinkt inderdaad veel kritiek op het beleid van president Bush. Sommige elementen van die kritiek zijn zeer terecht, andere punten van kritiek zullen we altijd blijven horen, welk beleid de VS ook voert."FISCHER. "De armoede. Hoe je de zaken ook bekijkt, het is een feit dat er de voorbije vijftig jaar een opzienbarende verbetering is opgetreden, ondanks een nooit geziene bevolkingsexplosie. In 1950 moest 55 % van de wereldbevolking zien te overleven van minder dan 1 dollar per dag. Dat percentage ging sindsdien spectaculair naar beneden: 44 % in 1960, 32 % in 1980 en 23 % in 1999. De human development index van de Wereldbank, die een breed gamma van welvaarts- en welzijnsindicatoren bevat, verbeterde nog spectaculairder. Deze prestaties hangen in belangrijke mate samen met de evolutie van China en India, twee landen die samen 38 % van de wereldbevolking huisvesten en in 1990 60 % van de armoede in de wereld vertegenwoordigden. De spectaculaire verbeteringen in de gemiddelde levensstandaard in China en India hangen samen met het moment waarop beide landen kozen voor een meer marktgericht beleid. De conclusie voor mij luidt: armoedebestrijding vereist economische groei. Die groei moet er komen door een marktconform beleid en integratie in de wereldeconomie." FISCHER. "Eerst een algemene vaststelling: elk welvarend land heeft een open kapitaalrekening. Op lange termijn moet iedereen die echt vooruit wil, in die richting gaan. De hamvraag is natuurlijk hoe je van de huidige toestand naar dat eindstation van volledige liberalisering evolueert. Ik denk dat we als economen moeten erkennen dat er geen eenduidig antwoord is op de vraag hoe je de liberalisering van de kapitaalrekening het best aanpakt. Kapitaalcontroles werken soms, soms ook helemaal niet. Geleidelijkheid is meestal de beste optie. Het meest voor de hand liggend is de liberalisering van alles wat met directe buitenlandse investeringen te maken heeft. In de armere landen hangt er veel af van bijvoorbeeld de macro-economische stabiliteit, de stevigheid van het financiële systeem, het wisselkoersbeleid, de rechtszekerheid en omvang van de zwarte markt." FISCHER. "Uit onderzoek van de Amerikaanse historicus Jeffrey Williamson komt duidelijk naar voren dat de toenemende ongelijkheid tussen landen een proces is dat al meer dan 400 jaar aan de gang is, lang voor er sprake was van enige globalisering van de economie. Research toont echter ook aan dat die toename van de ongelijkheid de voorbije twintig jaar is afgezwakt. Wat er vandaag gebeurt, wordt wel eens omschreven als het twin peaks-fenomeen. Er is een convergentie van de inkomens tussen de rijke landen en ook tussen de armere landen, maar die laatste dan wel op een lager gemiddeld niveau. Over de inkomensongelijkheid binnen één land kunnen we op dit moment geen algemene conclusies trekken. In sommige landen is de inkomensongelijkheid afgenomen, in andere toegenomen. We moeten in deze discussie echter goed op onze woorden letten. Inkomensongelijkheid is niet hetzelfde als armoede. Kijk naar China. In de voorbije 25 jaar is de inkomensongelijkheid sterk gestegen, maar de armoede daalde aanzienlijk." FISCHER. "De toestand in grote delen van Afrika is zonder meer barslecht, al zijn er uitzonderingen. Zuid-Afrika doet het redelijk op dit moment, net als Oeganda en Botswana. Een land als Mozambique is duidelijk voorbij een keerpunt. In Angola blijft het echter dramatisch, een weg die ook Zimbabwe opgaat. "Uiteraard speelt de aids-epidemie een erg negatieve rol in de ontwikkeling van het Afrikaanse continent. Meer in het algemeen heeft Afrika een grote behoefte aan verbeteringen in de gezondheidszorg en het onderwijs. De problemen op dit vlak hebben niets met globalisering te maken. Een betere gezondheidszorg en meer onderwijs komt er niet zonder economische groei, wat op zijn beurt meer internationale handel vereist. Bovendien is in Afrika de privé-sector heel zwak, net zoals de bekwaamheid van de politieke elite. Corruptie is een gigantisch probleem. Om al die problemen een beetje de baas te worden, heeft Afrika behoefte aan een beter beleid, meer globalisering, meer doordachte hulp vanuit het Westen en meer democratie."FISCHER. "We mogen niet onderschatten wat er op dit vlak de voorbije jaren is verwezenlijkt. De farmaciebedrijven nemen zelf het initiatief om medicijnen ter beschikking te stellen in Afrika tegen prijzen die ver beneden het niveau van de prijzen in de geïndustrialiseerde wereld liggen. Ook de stichting van Microsoft-topman Bill Gates levert uitstekend werk. Maar het is zeker zo dat het Westen veel meer dingen kan doen - en vooral meer verstandige dingen - dan het vandaag doet. Het is al tot in den treure herhaald, maar daarom is het niet minder waar: de bescherming van sectoren als landbouw, staal en textiel in het Westen vormt een grote hinderpaal voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de armere landen." FISCHER. "De kritiek was enerzijds gericht op de openheid van de instelling en anderzijds op de adviezen en programma's. Wat het eerste betreft: het IMF heeft altijd open kaart gespeeld in de richting van zijn aandeelhouders, de lidstaten. In het voorbije decennium nam het IMF ook diverse initiatieven om meer informatie sneller ter beschikking van het publiek te stellen. De kritiek op onze adviezen en programma's was echter niet onterecht: we functioneerden niet altijd optimaal. Het IMF heeft grote inschattingsfouten gemaakt naar aanleiding van de Aziatische crisis. Maar die fouten werden snel onderkend en gecorrigeerd. "De critici van het IMF zijn niet altijd consequent in hun kritiek. Ze beweren bijvoorbeeld vaak dat het IMF altijd en overal een beleid van vaste wisselkoersen wou opleggen. Dat is niet waar. Neem Argentinië. Het IMF wees de regering in Buenos Aires er geregeld op dat de strakke koppeling met de dollar onhoudbaar was, onder meer door hun budgettaire beleid. De Argentijnse regering wou echter van geen wijken weten of slaagde er niet in het juiste beleid op de rails te zetten. Wat kon het IMF dan nog doen? Zijn ongenoegen van de daken schreeuwen en dus een snellere en diepere crisis veroorzaken? Op die manier is het IMF geregeld in onmogelijke situaties terechtgekomen." Johan Van Overtveldt "De spectaculaire verbetering van de gemiddelde levensstandaard in China en India hangt samen met het moment waarop beide landen kozen voor een meer marktgericht beleid.""De bescherming van sectoren als landbouw, staal en textiel in het Westen vormt een grote hinderpaal voor de ontwikkeling van de armere landen."