Sinds begin dit jaar is het tarief van de roerende voorheffing op intresten en dividenden, op enkele uitzonderingen na, verhoogd naar 21 procent. Bovendien werd beslist een bijkomende heffing in te voeren ten aanzien van belastingplichtigen met hoge roerende inkomsten. De lat ligt op 20.020 euro. Wie meer intresten en dividenden heeft die aan 21 procent roerende voorheffing onderworpen zijn, is bovenop de roerende voorheffing nog een extra belasting verschuldigd van 4 procent. De bijkomende heffing slaat enkel op het gedeelte van de inkomsten dat hoger is dan 20.020 euro. Het tarief op dat hogere gedeelte is dan 21 + 4 = 25 procent.
...

Sinds begin dit jaar is het tarief van de roerende voorheffing op intresten en dividenden, op enkele uitzonderingen na, verhoogd naar 21 procent. Bovendien werd beslist een bijkomende heffing in te voeren ten aanzien van belastingplichtigen met hoge roerende inkomsten. De lat ligt op 20.020 euro. Wie meer intresten en dividenden heeft die aan 21 procent roerende voorheffing onderworpen zijn, is bovenop de roerende voorheffing nog een extra belasting verschuldigd van 4 procent. De bijkomende heffing slaat enkel op het gedeelte van de inkomsten dat hoger is dan 20.020 euro. Het tarief op dat hogere gedeelte is dan 21 + 4 = 25 procent. De bijkomende heffing zal normaal slechts geheven worden op het ogenblik dat de personenbelasting gevestigd wordt. Dat is ten vroegste een half jaar na het verstrijken van het inkomstenjaar. De oorzaak ligt voor de hand. De bijkomende heffing geldt slechts als men de grens van 20.020 euro overschrijdt. Op het ogenblik dat de intresten en dividenden uitbetaald worden, weet men meestal nog niet of de grens doorbroken zal worden. Vandaar dat men wacht tot bij de inkohiering van de personenbelasting. Dat grensbedrag heeft ook tot gevolg, dat een gigantisch controleapparaat uitgebouwd moet worden. De fiscus moet de 'rijken' immers van de 'armen' kunnen onderscheiden. Om dit doel te bereiken zullen de uitbetalers van intresten en dividenden hun betalingen moeten melden aan een centraal aanspreekpunt. Onder meer op basis van deze informatie zal de fiscus kunnen uitmaken wie de bijkomende heffing wel of niet verschuldigd is. De organisatie van dit centraal aanspreekpunt loopt niet van een leien dakje. Aanvankelijk was het de bedoeling het bij de Nationale Bank in te richten. Maar die heeft voor de eer bedankt. Uiteindelijk is besloten het centraal aanspreekpunt in te richten bij de fiscus zelf. Maar dat is sneller gezegd dan gedaan. Vandaag is er nog altijd geen dienst aangewezen die met het in ontvangst nemen van de aanmeldingen belast zal worden. Nog een moeilijk makend detail: de wetgever heeft voorzien in de mogelijkheid om de bijkomende heffing aan de bron te laten inhouden, bovenop de roerende voorheffing. In plaats van 21 procent roerende voorheffing zal de belastingplichtige kunnen kiezen voor een bronheffing van 25 procent. De beslissing om de bijkomende belasting aan de bron in te houden, behoort enkel toe aan de belastingplichtige zelf. De bank kan hem er niet toe verplichten. Zij mag natuurlijk wel goede raad geven. Het voordeel van de bijkomende inhouding aan de bron zit hem in de anonimiteit. Zoals gezegd, zullen de schuldenaars van intresten en dividenden voortaan hun betalingen moeten melden aan het centraal aanspreekpunt. Zij zullen dat evenwel niet moeten doen, als het gaat om intresten en dividenden waarop aan de bron bijkomend 4 procent ingehouden is. Wie met zijn roerende inkomsten buiten het gezichtsveld van de fiscus wil blijven, overweegt dus best de bijkomende heffing aan de bron te laten inhouden. Dit onwaarschijnlijk ingewikkelde systeem van bijkomende heffing, melding aan het centraal aanspreekpunt, en eventuele inhouding aan de bron, heeft de vraag doen rijzen, of het niet veel simpeler zou zijn, de roerende voorheffing gewoon in het algemeen te verhogen naar 25 procent, met mogelijkheid om de bijkomende heffing via de aangifte in de personenbelasting te recupereren, daar waar zij ook op de eerste schijf van 20.020 euro ingehouden is. Maar dit voorstel heeft het niet gehaald. We zullen dus met het ingewikkelde systeem moeten leren leven. Dat zal in het begin niet gemakkelijk zijn. De informatie is nog schaars. En de pijnpunten stapelen zich op. Neem bijvoorbeeld de vraag of men aan zijn bankier kan vragen de bijkomende heffing weliswaar aan de bron in te houden, maar slechts op de schijf die 20.020 euro overschrijdt. Op basis van de wettekst zou men geneigd zijn die vraag bevestigend te beantwoorden. Maar inmiddels heeft de fiscus merkwaardig genoeg laten weten, dat de bronheffing naar zijn oordeel ingehouden moet worden vanaf de eerste euro.De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. www.fiscoloog.be JAN VAN DYCKDe keuze komt alleen maar aan de belastingplichtige toe.