De Vlaamse regering is bereid waarborgen te geven aan de noodlijdende automobielproducenten General Motors en Ford, om de toekomst van hun dochtervestigingen in Antwerpen en Gent te vrijwaren. Het is een begrijpelijke maatregel, maar ook een gevaarlijke.
...

De Vlaamse regering is bereid waarborgen te geven aan de noodlijdende automobielproducenten General Motors en Ford, om de toekomst van hun dochtervestigingen in Antwerpen en Gent te vrijwaren. Het is een begrijpelijke maatregel, maar ook een gevaarlijke. Begrijpelijk, omdat geen enkele politicus vier maanden voor de verkiezingen ervan beschuldigd wil worden dat hij niet genoeg deed om de jobs van enkele duizenden werknemers te redden. Het is niet de eerste keer dat de toekomst van GM in Antwerpen ter discussie wordt gesteld, maar het zou de sociale en economische schok er niet minder klein om maken. Het is ook noodzakelijk om een industriële sector van betekenis te behouden in dit land. Die sector blijft - tot spijt van wie het benijdt - de basis voor onze luidkeels gepropageerde kennis- en diensteneconomie. Tenslotte komen andere Europese landen - Duitsland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, enzovoort - ook met steunmaatregelen op de proppen om hun autoproductie te vrijwaren. Om maar te zwijgen over de monsterleningen waarmee de regering-Bush de problemen van de drie grote Amerikaanse autobouwers uit Detroit doorschoof naar de regeringsploeg van Obama. Als zij het doen, kunnen België en of Vlaanderen het zich dan permitteren achter te blijven? Net daar schuilt het gevaar. Ten eerste doemt daarmee het spook van de jaren dertig levensgroot op. Het land dat met het meeste geld op tafel komt, mag de jobs houden, een verhaal waarvan het maar zeer de vraag is of Vlaanderen daarin aan het langste eind kan trekken. Er dreigt een spiraal op gang te komen van weggegooid overheidsgeld dat niet bijdraagt aan de creatieve destructie, het zichzelf vernieuwende economische proces van de Oostenrijkse filosoof Joseph Schumpeter. Integendeel. In plaats van aan innovatie, riskeren de middelen te worden besteed aan sectoren waarvan de langetermijntoekomst hoogst onzeker is. Die vorm van protectionisme, versie 21ste eeuw, bewijst vooral dat er nood is aan meer Europese integratie, precies om dat soort manoeuvres tegen te gaan. Dus staat Europa de facto nog veel minder ver dan sommigen wensen. Meer Europa is nochtans het enige min of meer valabele alternatief voor de huidige concurrentieslag tussen de lidstaten. Ten tweede bewijst de ad-hoctoekenning van gewestwaarborgen de zwakte van goedbedoelde overheidsinitiatieven als Vlaanderen In Actie. De studie is een dijk van een inventaris van alles wat er gebeurt tussen Nieuwpoort en Oud-Rekem, maar duidelijke keuzes worden er veel te weinig gemaakt. Er zijn geen pôles de concurrence, zoals in het Waalse marshallplan: een beperkt aantal (groei)sectoren waarin de regio tegen 2025 moet uitblinken. Het gevolg is dat er ook geen enkele reden is om sommige industrietakken meer te ondersteunen dan andere. Als er gewestwaarborgen kunnen worden gegeven voor de automobielbedrijven, waarom dan niet voor hun toeleveranciers, of voor armlastige bedrijven uit de textiel-, horeca-, transport-, bouw- of technologiesector? (T) Luc Huysmans