Alain Vandenbrande leidt Facilicom Services Group, een bedrijf gespecialiseerd in schoonmaak, catering en onderhoud. De onderneming vindt moeilijk nieuwe werkkrachten. "We hebben 350 bedienden en voortdurend staan 20 tot 25 vacatures open, onder andere voor verkopers. Het bedrijf telt 4000 arbeiders en ik kan direct 100 mensen extra gebruiken. Het is moeilijk om de juiste mensen te vinden die willen werken. De attitude is gewijzigd. De werknemers willen niet langer zeven dagen op zeven en 24 uur op 24 beschikbaar zijn."
...

Alain Vandenbrande leidt Facilicom Services Group, een bedrijf gespecialiseerd in schoonmaak, catering en onderhoud. De onderneming vindt moeilijk nieuwe werkkrachten. "We hebben 350 bedienden en voortdurend staan 20 tot 25 vacatures open, onder andere voor verkopers. Het bedrijf telt 4000 arbeiders en ik kan direct 100 mensen extra gebruiken. Het is moeilijk om de juiste mensen te vinden die willen werken. De attitude is gewijzigd. De werknemers willen niet langer zeven dagen op zeven en 24 uur op 24 beschikbaar zijn." Dit voorbeeld is symptomatisch voor de situatie op de Vlaamse arbeidsmarkt. Bedrijven hebben het steeds moeilijker om nieuwe mensen aan te werven. Bij de VDAB stonden eind december 41.676 vacatures open. Dat is bijna 30 procent meer dan in 2009. Vorig jaar ontving de arbeidsbemiddelingsdienst in totaal 262.280 vacatures. Dat is een vijfde meer dan het jaar voordien. De helft van de ontvangen vacatures zijn knelpuntberoepen, vacatures waarvan het langer dan normaal duurt om ze in te vullen. Dat gaat van ingenieur over verpleegkundige tot schoonmaker (zie tabel De belangrijkste knelpuntberoepen). Het stijgende aantal vacatures toont aan dat het effect van de recessie op de arbeidsmarkt uitgewerkt is. De krapte op de arbeidsmarkt, een druk bediscussieerd thema tot eind 2008, is terug. Dat blijkt duidelijk uit de spanningsindicator die de VDAB hanteert om de krapte op de arbeidsmarkt te meten. De spanningsindicator geeft de verhouding weer van de niet-werkende werkzoekenden ten opzichte van de beschikbare vacatures. In 2008 bedroeg die 2,9, een jaar later in volle recessie 4 en in de eerste negen maanden van 2010 daalde de indicator naar 3,7 (zie grafiek Evolutie van de spanningsindicator tussen 1999 en 2010). Arbeidsmarktexperts verwachten dat de indicator verder daalt. Opvallend genoeg had de crisis van 2009 niet zo'n sterke invloed als de periode van laagconjunctuur in 2003-'04 toen de indicator naar 7,3 steeg. Het aantal werklozen is tijdens de crisis van 2008-'09 wel gestegen, maar niet zo sterk als bij vorige recessies. De indicator toont aan dat België de schokken op de arbeidsmarkt tamelijk goed heeft doorstaan. Maar het cijfer laat veel waarnemers in dubio. Bernard Hensmans, topman van onlinerekruteerder Monster, vindt dat de spanningsindicator te laag ligt. "Eerlijk gezegd, alle indicatoren onder de vijf zijn al problematisch. Vanaf vijf kandidaten voor één functie is er een spanning en vanaf drie is er zware spanning. Als je voor een vacature drie kandidaten hebt en één ervan is niet gepast voor de job, dan heb je amper keuze. Dan heb je ook geen onderhandelingsstrategie." Voor bedrijven is die krapte een ernstig probleem. De arbeidskosten zijn bijvoorbeeld zeer hoog en bedrijven denken er ernstig over na om zelfstandigen aan te werven. "Maar ze kunnen dat niet, want de knelpuntberoeper zegt: 'werf mij aan als bediende of ik kom niet'. Het sociaal passief dat je opbouwt als je iemand aanwerft, is door de zware ontslagvergoedingen van een bediende zeer groot", zegt Hensmans. "Dat wordt vooral een probleem voor de kmo's, toch wel de ruggengraat van onze economie. Bedrijven met de sterkste merknaam en de hoogste loonpakketten gaan het halen. Zijn kmo's nog in staat om het in de war for talent met gelijke wapens op te nemen tegen het groot geschut van de multinationals? Dat is de vraag." "Niet-ingevulde jobs leiden bovendien tot jobdestructie en een herziening van investeringen. Buitenlandse ondernemingen zullen twijfelen om in België te investeren als ze weten dat de jobs hier niet voorhanden zijn." Ook het VBO waarschuwt voor de negatieve impact van de knelpunteconomie. De werkgeversorganisatie berekende dat de invulling van de openstaande vacatures bij de arbeidsbemiddelingsdiensten VDAB, Forem en Actiris de werkzaamheidgraad zou doen toenemen van 67,1 tot 68,2 procent waarmee België bijna aan het Europese gemiddelde zou zitten. Die ingevulde jobs zouden op hun beurt leiden tot nieuwe groei en jobcreatie. Om de krapte op arbeidsmarkt aan te pakken, moeten eerst de oorzaken worden gedetecteerd. Om te beginnen is er een kwantitatief effect: een gebrek aan kandidaten voor vrijgekomen functies. De veroudering van de beroepsbevolking veroorzaakt een grote uitstroom van werknemers die de komende jaren toeneemt. De Leuvense econoom Luc Sels berekende dat er tot 2014 zowat 300.000 mensen de Vlaamse arbeidsmarkt verlaten. De bedrijven moeten massaal aanwerven om de vele vertrekkende werknemers te vervangen. Door de ontgroening van de bevolking kunnen al die vacatures niet zomaar worden ingevuld. Daarnaast is er de veel belangrijkere structurele en kwalitatieve mismatch tussen vraag en aanbod. Knelpuntvacatures kunnen steeds moeilijker worden ingevuld door het gebrek aan competenties voor de job, vooral bij hooggeschoolden. Maar ook door de onaantrekkelijke arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, vooral voor laaggeschoolden zoals schoonmakers. Er is dus een tekort aan laaggeschoolde mensen die bereid zijn om tegen 9 of 10 euro per uur te werken en daar speelt de werkloosheidsval. Maar er is ook een stijgende vraag naar hooggeschoolden met de juiste competenties. Het aantal knelpuntberoepen mag dan wel hoog zijn, het is fout te denken dat er geen beleid wordt gevoerd om die vacatures in te vullen. Sinds 2007 speelt de VDAB sterk in op de omscholing en begeleiding van werkzoekenden naar knelpuntberoepen. Zo worden jonge werklozen met onrealistische loopbaanperspectieven overtuigd van een andere beroepskeuze. Van alle cursisten die in 2009 een beroepsopleiding hebben gevolgd bij de VDAB werd 88,7 procent opgeleid voor een knelpuntberoep. Maar VDAB-opleidingen zijn niet voldoende. De VDAB legt er zelf de nadruk op dat er ook preventie nodig is. Jongeren moeten meer naar richtingen worden geleid die aansluiten op de arbeidsmarkt. De studiekeuze in het onderwijs heeft een structureel effect op vraag en aanbod. Naast opleidingen en een andere onderwijskeuze pleiten arbeidsmarktexperts voor diepgaandere maatregelen, grotendeels aan de aanbodkant. Een deel van de beroepsbevolking biedt zich gewoon niet aan op de arbeidsmarkt. Dat geldt in eerste instantie voor de 55-plussers waarvan er in Vlaanderen amper 35 procent aan de slag zijn. Om de tewerkstelling van 50-plussers te verhogen, voerde Vlaanderen een tewerkstellingspremie in en werd gekozen voor een activering van 50-plussers. Nu wil Vlaams minister van Werk, Philippe Muyters (N-VA), ook overstappen naar de activering van 52-plussers. "Daarnaast moeten uittredingssystemen als brugpensioen worden afgebouwd", benadrukt Hensmans. Maar het laatste IPA heeft dat onderwerp onaangeroerd gelaten. De topman van Monster wil ook dat er meer aandacht komt voor de jongeren. "Je moet afgestudeerden al activeren tijdens de wachttijd en niet na zes maanden, want dan dreigt inactiviteit een levenswijze te worden." Jan Denys, arbeidsmarktexpert van Randstad, is voorstander van de afschaffing van de wachtuitkering voor jongeren. Economen en arbeidsmarktexperts zijn gewonnen voor meer activering, maar pleiten eigenlijk voor een Siamese tweeling. Activering op maat van de werkzoekende en een beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd. Vooral de Leuvense econoom Joep Konings is een voorstander van een betere jobmatching via een aangepaste structuur van de werkloosheidsuitkering. Momenteel zijn de Belgische werkloosheidsuitkeringen onbeperkt in de tijd en slechts licht degressief. Konings pleit voor een werkloosheidssysteem waarin werkloosheidsuitkeringen sterker en sneller dalen naarmate de werkloosheid aansleept, maar waarbij ter compensatie meer middelen gaan naar de actieve begeleiding van de werkzoekende. In België bedraagt de vervangingsratio, de werkloosheidsuitkering als percentage van het laatste inkomen, met een bovengrens, 60 procent. Net als de Scandinavische landen zou België dit percentage kunnen optrekken tot 70 procent met daaraan gekoppeld een intense activering. Dat percentage zou na een aantal maanden beginnen te dalen tot bijvoorbeeld 40 procent na één jaar. Het vrijgekomen budget kan geïnvesteerd worden in de werkzoekende via opleiding en activering. Zo wordt het actieve deel van het budget dat per werkloze wordt besteed belangrijker. Met zo'n stelsel zou België aansluiting vinden bij het Deense systeem. Denemarken is het EU-land met de hoogste werkgelegenheidsgraad (75 %). Een laatste maatregel die de mismatch op de arbeidsmarkt kan helpen afbouwen, is het wegwerken van de werkloosheidsval. Dat is vooral belangrijk voor laaggeschoolden. De werkloosheidsval doet zich voor als het verschil tussen loon en uitkering te klein wordt. Er is dan geen financiële incentive meer om een job te aanvaarden. Voor de laagste inkomens aanvaardt een werkloze pas een job als die een vijfde extra inkomen ontvangt. Als die financiële prikkel er niet is, vergroot de kans dat een werknemer zich in de werkloosheid nestelt. Om dat tegen te gaan, pleiten sommige werkgevers voor de invoering van een belastingkrediet. Het belastingkrediet ontstaat als de belastingvrije som, het inkomen dat niet belast wordt, hoger ligt dan het inkomen. In stelsels met een belastingkrediet krijgt de belastingbetaler met een laag inkomen uit arbeid geld terug. Onderzoeken tonen aan dat inkomens op basis van een minimumloon of deeltijds werk er dankzij een belastingkrediet fors op vooruitgaan. ALAIN MOUTON"De attitude is gewijzigd. De werknemers willen niet langer zeven dagen op zeven en 24 uur op 24 beschikbaar zijn" Alain Vandenbrande, Facilicom Services GroupEr is een tekort aan laaggeschoolde mensen die tegen 9 of 10 euro per uur willen werken en aan hooggeschoolden met de juiste competenties.