Na een periode van introversie en onthutste twijfel aan zichzelf, zullen de regeringen op het Europese continent in 2007 opnieuw de smaak te pakken krijgen voor de pan-Europese institutionele opbouw. Of het Europese publiek zit te wachten op een terugkeer naar wat de kiezers in twee landen nog niet zo lang geleden al hebben verworpen, is een andere kwestie.
...

Na een periode van introversie en onthutste twijfel aan zichzelf, zullen de regeringen op het Europese continent in 2007 opnieuw de smaak te pakken krijgen voor de pan-Europese institutionele opbouw. Of het Europese publiek zit te wachten op een terugkeer naar wat de kiezers in twee landen nog niet zo lang geleden al hebben verworpen, is een andere kwestie. Voor dat herstel van het Europese zelfvertrouwen zijn er verschillende redenen. Jarenlang huppelden de Europese economieën jammerlijk achterop op de Verenigde Staten (om nog maar te zwijgen van Azië), maar in 2006 kenden de grote economieën op het continent een van hun beste jaren in een decennium en konden ze het zelfs op het gebied van groei eventjes beter doen dan de Verenigd Staten. Omdat de politiek vaak met een zekere vertraging reageert op economische veranderingen, zal de verbetering van de economische groei in 2006 pas in 2007 een impact hebben, al zal het herstel op dat ogenblik mogelijk al aan het wegebben zijn. Het komende jaar vormt ook een bijzonder punt in een politieke cyclus die zo regelmatig verloopt, dat hij bijna een natuurwet geworden is. Elke vier of vijf jaar maken de Europese landen een grote stap voorwaarts naar verdere integratie met de ondertekening van een nieuw verdrag: Maastricht in 1992, Amsterdam in 1997, Nice in 2001. En in 2005 hadden ze de Europese grondwet moeten ondertekenen die de grondslag moest leggen voor een nog verdergaande integratie, tot het kalme ritme brutaal verstoord werd door de Franse en Nederlandse kiezers. De politieke drang om elke vier of vijf jaar iets te ondertekenen, werd door die onbeduidende tegenslag slechts onderbroken, niet stilgelegd. In 2007 herdenkt de Europese Unie het 50-jarig bestaan van nog een ander verdrag: het verdrag van Rome, haar oprichtingsakte. De regeringsleiders zijn al overeengekomen om dat ceremonieel te vieren en hebben daarbij hun aanhankelijkheid aan een 'steeds inniger unie' en de basisidealen van de Europese eenmaking nog maar eens bevestigd. Op zich, en in normale omstandigheden, zouden die vijftigste verjaardagswensen aan zichzelf vrij zinloos zijn, gewoon een routineuze uitdrukking van goede Europese kameraadschappelijkheid. Maar er is geen Machiavelli nodig om op te merken dat eens de regeringen de betreffende verklaring ondertekend hebben (en het lijkt onwaarschijnlijk dat iemand zo oncollegiaal zal zijn om zijn veto te plaatsen), ze al goed op weg zijn om zich te verbinden tot een nieuw verdrag. Al wat daarvoor nodig is, is dat de verklaring naar aanleiding van de vijftigste verjaardag ingebed wordt in een nieuw verdrag, dat dan een aantel institutionele en andere hervormingen zal omvatten die uit de mislukte poging tot grondwetvorming gehaald werden en, hop, een nieuwe quasiconstitutie zal geboren zijn. Volgens de Duitse regering - die tijdens de eerste jaarhelft van 2007 het voorzitterschap waarneemt en dus de EU-agenda zal bepalen - zal een nieuw ontwerp voor een afgeslankte grondwet tegen het midden van het jaar klaarliggen om al dan niet voorgelegd te worden aan de kiezers. Er zullen dan een paar jaar volgen waarin de tekst besproken wordt, goedgekeurd door de parlementen en misschien voorgelegd aan de kiezers als dat noodzakelijk geacht wordt. Vervolgens zal, volgens de bureaucratische planners in Brussel en Berlijn, die de mogelijkheid van publieke afwijzing lustig blijken te negeren, de hele zaak ondertekend en bezegeld worden en zal de nieuwe constitutie kunnen afgeleverd worden in 2009 of 2010. Europa zal dan netjes terug op de sporen staan en zijn vier- tot vijfjarige cyclus van integratie zal maar één maatslag gemist hebben. De wederopstanding van de Europese grondwet wordt in 2007 weer iets waarschijnlijker gemaakt door wat er gebeurt in de hoofdsteden van de lidstaten. De Europese Unie is niet echt een autonome organisatie. Als ze werkt, dan is dat omdat de leiders van de grote landen op het continent het zo willen, omdat ze ervan uitgaan dat een actief Europees beleid hen zal helpen om hun doelstellingen in eigen land te bereiken. Dat gebeurde echter niet in 2005 en 2006. Op een defensieve, cynische en zelfvernietigende wijze strompelden de leiders van de drie grootste eurozonelanden - Frankrijk, Italië en Duitsland - naar hun onbetreurde einde. Ze zagen geen enkele reden om welk Europees beleid dan ook te volgen. Het gevolg was dat de EU nauwelijks nog functioneerde. Maar tegen het midden van 2007 zullen die drie vroegere leiders vertrokken zijn. Dat feit alleen al zal het Europese politieke landschap grondig wijzigen. Het transformatieproces is al begonnen. Van Romano Prodi, die in het midden van 2006 premier van Italië werd, moest haast wel verwacht worden dat hij pro-Europees zou zijn: hij is een voormalige Commissievoorzitter. Maar hij is onverwacht energiek te werk gegaan en heeft de diepgewortelde economische kwalen van Italië aangepakt - iets wat altijd afgeschilderd werd als een noodzaak om Italië meer 'Europees' te maken. Hij bracht zijn tegenstribbelende partners ook zover, dat ze bereid waren om de leiding te nemen over de vredesmacht in Libanon. Voor de Duitse kanselier Angela Merkel is een actieve en succesvolle Europese politiek een must als ze wil beschouwd worden als een volwaardige opvolgster van de ultra-Europeaan Helmut Kohl. En dan is er ook nog Frankrijk: het is onmogelijk om precies in te schatten in hoeverre de Franse presidentsverkiezingen de rest van Europa zullen beïnvloeden, maar ze zullen hoogstwaarschijnlijk wel de bevolking van Frankrijk - traditioneel een van de meest invloedrijke EU-landen - achter het idee van verdere integratie scharen. De kans bestaat dat wie ook president wordt, Frankrijk zal willen moderniseren en hervormen. Frankrijk hervormen, is al moeilijk genoeg en het zal vlotter gaan als de nieuwe president zich voordoet als een 'pro-Europese' hervorm(st)er in plaats van een euroscepticus (of -sceptica) die tegen de nieuwe constitutie gekant is. Het resultaat is dat het beleid in de drie grote continentale landen, de bureaucratische impuls en de economische herstelpolitiek in 2007 er samen zullen voor zorgen een duwtje te geven in de richting van verdere integratie. Dat betekent niet dat die beweging onontkoombaar of zelfs populair zal zijn. De Britse regering zal alvast niet met de stroom willen meedrijven en beginnen aan een nieuw hoofdstuk in zijn al lange geschiedenis van confrontatie tussen Groot-Brittannië en de rest van Europa. Belangrijker is echter dat ook de kiezers hun zeg zullen willen hebben. Ze verwierpen de grondwet in 2005 en het zou dom zijn om aan te nemen dat ze haar zullen aanvaarden in 2007 alleen maar omdat er wat creatief geknutsel aan voorafging. De auteur is bureauchef Brussel van The Economist.John Parker