Op 25 maart was het de jaarlijkse Equal Pay Day. De traditie wil dat we ons die dag collectief beklagen over de loonkloof tussen man en vrouw. Het debat daarover lijkt nooit uit te doven. Is de loonkloof op objectieve gronden te verklaren en dus gerechtvaardigd, dan wel een flagrante uiting van discriminatie? Ligt de schuld bij managers en ministers, vaders en echtgenoten, en moeten zij het dus maar oplossen? Of moeten vrouwen gewoon meer boter bij de vis eisen? Zal de massale instroom van hooggeschoolde vrouwen de achterstand uitwissen? Zijn quota voor vrouwelijke bestuurders nodig?
...

Op 25 maart was het de jaarlijkse Equal Pay Day. De traditie wil dat we ons die dag collectief beklagen over de loonkloof tussen man en vrouw. Het debat daarover lijkt nooit uit te doven. Is de loonkloof op objectieve gronden te verklaren en dus gerechtvaardigd, dan wel een flagrante uiting van discriminatie? Ligt de schuld bij managers en ministers, vaders en echtgenoten, en moeten zij het dus maar oplossen? Of moeten vrouwen gewoon meer boter bij de vis eisen? Zal de massale instroom van hooggeschoolde vrouwen de achterstand uitwissen? Zijn quota voor vrouwelijke bestuurders nodig? Vele vragen dus. De mate van consensus neemt af naarmate ze evolueren van 'is er een loonkloof' (ja), naar 'vormt dit een ethisch en maatschappelijk probleem' (voor velen wel) tot 'wat zijn de oorzaken' (een veelheid van antwoorden) en 'wie kan er wat aan doen' (grote onenigheid). Naar ons aanvoelen heeft de aandacht voor de loonkloof het thema 'vrouw en arbeid' echter te veel herleid tot een discours over achterstelling, glazen plafonds, gebrek aan kansen en verontwaardigde vrouwen. Deels terecht. Maar we dreigen zo uit het oog te verliezen dat de relatieve positie van de vrouw op de arbeidsmarkt in hoog tempo evolueert én verbetert. Neem de snelle stijging in de arbeidsdeelname van vrouwen. Hoewel zelden als dusdanig erkend, is dit ongetwijfeld een van de belangrijkste sociale feiten van de voorbije decennia. Tussen 1983 en 2009 steeg het aandeel werkende vrouwen in Vlaanderen van 36,8 naar 60,5 procent, terwijl het aandeel werkende mannen daalde van 72,2 naar 70,8 procent. Zo hebben we toch één Lissabon-doelstelling gehaald: deze om 60 procent van de vrouwen aan het werk te hebben. De feminisering is overigens nog lang niet uitgewerkt. Tot op vandaag worden oudere cohorten vrouwen stelselmatig gevolgd door jongere cohorten met een hogere werkzaamheid. Dit effect kan nog zo'n dertig jaar doorwerken. Onze simulaties wijzen op een verdere stijging naar 64,9 procent werkende vrouwen in 2014. Dat zijn er alweer een mooie 110.000 meer. We hebben onlangs nog een belangrijke mijlpaal bereikt: het risico op werkloosheid is nu ongeveer gelijk. Ook hier komen we van heel ver. In 1983 tekenden we nog een werkloosheidsgraad van 17,4 procent op bij de vrouwen, in schril contrast met de 6,8 procent bij de mannen. De werkloosheidsrisico's zijn geleidelijk naar elkaar toe gegroeid, om vanaf 2009 mooi te convergeren naar een vergelijkbaar en zeer aanvaardbaar niveau. De crisis heeft overigens uitgewezen dat vooral mannen economisch kwetsbaar waren. Zo kende Vlaanderen tussen 2008 en 2010 een krimp met 26.700 werknemers, maar ook een aangroei met 24.400 werkneemsters. Verbazen zal dit niemand. De zware klappen vielen immers in typische mannensectoren zoals auto en metaal, terwijl vrouwen sterk staan in sectoren die 'immuun' bleken, zoals gezondheidszorg en onderwijs. Veel goed nieuws, maar we blijven zitten met de loonkloof. Dat ze bestaat en traag krimpt, is goeddeels te wijten aan de weerbarstigheid van horizontale segregaties. Tegenover de wervelende dynamiek van de feminisering van de arbeidsmarkt, staat de hardnekkigheid waarmee beroepen en sectoren 'mannelijk' of 'vrouwelijk' blijven. De kans dat u een vrouwelijke loodgieter of buizenfitter over de vloer krijgt, is niet groter dan dat u de lotto wint. In een land als België, waar de loonverschillen tussen sectoren zeer uitgesproken zijn, is deze segregatie een constante voeding van de loonkloof. Snel zal dat niet wijzigen, aangezien de segregatie verankerd is in het onderwijs. In het algemeen secundair onderwijs domineren de meisjes de humane wetenschappen (75 %), maar zijn ze ondervertegenwoordigd in wetenschappen-wiskunde (40 %). In het technisch secundair is het met het vergrootglas zoeken naar meisjes in pakweg industriele wetenschappen (3 %), elektromechanica (1 %) of bouw (0,4 %). Op universitair niveau is het niet anders: psychologie (83 %) en letterkunde (73 %) zijn 'vrouwelijk'; toegepaste wetenschappen (22 %) 'mannelijk'. Wilt u bijdragen aan het dichten van de loonkloof? Steun dan uw zoon die graag iets artistiekerigs wil doen dat naar alle waarschijnlijkheid financieel weinig opbrengt. De auteur is professor economie aan de VUB. LUC SELSTegenover de wervelende dynamiek van de feminisering van de arbeidsmarkt, staat de hardnekkigheid waarmee beroepen 'mannelijk' of 'vrouwelijk' blijven.