De relanceplannen voor de financiële crisis kosten in alle lidstaten samen niet minder dan 650 miljard EUR, gespreid over twee jaar - goed voor 5 % van het bruto binnenlands product (bbp). Als Europa dat megagat in de begroting wil dichten, zal de Europese Ministerraad ingrijpende en transnationale maatregelen moeten nemen.
...

De relanceplannen voor de financiële crisis kosten in alle lidstaten samen niet minder dan 650 miljard EUR, gespreid over twee jaar - goed voor 5 % van het bruto binnenlands product (bbp). Als Europa dat megagat in de begroting wil dichten, zal de Europese Ministerraad ingrijpende en transnationale maatregelen moeten nemen. Als oplossing stelt professor-emeritus Wim Moesen, verbonden aan het Centrum voor Economische Studiën van de Leuvense universiteit, twee maatregelen voor: de creatie van een gemeenschappelijke eurobond en de invoering van een Tobintaks op complexe financiële transacties. Beide instrumenten verlichten de Europese begroting - inclusief die van de lidstaten - zonder te wegen op de toegevoegde waarde van de economie. Volgens het lid van de Hoge Raad van Financiën heeft het marktmechanisme gefaald omdat het er niet in slaagde de financiële crisis van eind 2008 te vermijden. Tegen de logica van het kapitalisme in moest de overheid snel en krachtig optreden, zodat een deel van de verlieslatende banken en verzekeringsmaatschappijen in handen van de staat kwam. Door terug een onderscheid te maken tussen deposito- en investeringsvehikels hoopt de Europese Commissie een dam tegen volgende tsunami's op te kunnen werpen. Wim Moesen: "Ik geloof echter niet in die optie. De markt zal altijd nieuwe financiële producten ontwikkelen. Op termijn zullen ook de klassieke bankiers ertoe verleid worden om toch (een beetje) te beleggen in die nieuwe producten met een beter rendement. Met andere woorden, die scheiding kan men in een dynamische omgeving moeilijk overeind houden. Wel kan de overheid nauwgezetter controleren. Kijk maar naar Canada, waar de publieke toezichthouder strenge regels aan de financiële instellingen oplegt. De vijf Canadese grootbanken hebben de kredietcrisis dan ook zonder kleerscheuren overleefd." De overheid speelt dus opnieuw een belangrijke rol in de financiële sector, maar ze botst op een groot tekort in de openbare financiën. Theoretisch kunnen de regeringen op drie vlakken reageren: belastingen, uitgaven en leningen. Wat fiscaliteit betreft, overheerst de publieke opinie dat de lasten op arbeid hun plafond bereikt hebben. Daar is geen manoeuvreerruimte meer. Wim Moesen: "Wel zouden de winstmarges op gesofisticeerde producten - zoals collateralised debt obligations (CDO's) of credit default swaps (CDS's) - minder aantrekkelijk kunnen worden gemaakt door een kleine heffing in te voeren, de zogenaamde Tobintaks. De complexe transacties hebben immers weinig toegevoegde waarde. Ze zijn voor speculanten alleen maar interessant omwille van hun grote volumes. Je kunt het evenwicht in het financiële systeem dus herstellen door daar een Europese belasting op te heffen. Als die inkomsten rechtstreeks naar de Europese schatkist vloeien, komt er ruimte vrij om de nationale bijdragen van de lidstaten te verminderen. Vandaag wordt het Europese budget slechts voor één vierde door eigen inkomsten - douane- en landbouwheffingen - gefinancierd. De rest bestaat uit een soort lidmaatschap. Door de Tobintaks nemen de middelen van Europa toe en dalen de contributies van de lidstaten verhoudingsgewijs, met als gevolg dat elk land wat minder aan Europa moet afdragen. Zo betaalt België vandaag niet minder dan 3 miljard EUR per jaar aan de Europese instellingen." In de aanloop naar de G20 in Pittsburg (VS) van september 2008 brak lord Adair Turner - voorzitter van de Britse waakhond FSA - een lans voor een extra belasting op de winsten van de banken om de superbonussen te kortwieken en de relanceplannen van de overheden te financieren. Ook Angela Merkel, Nicolas Sarkozy en George Brown pleiten voor een beteugeling van de excessen in de financiële sector. Nu er eindelijk een einde is gekomen aan de economische achteruitgang, lijken de banken in hun oude zonde van ongebreidelde hebzucht en buitensporige beloningen te hervallen. De roep om een publieke reactie is groot. In opdracht van de Franse president Sarkozy werkt professor Lieven Denys (VUB) aan een blauwdruk voor een Europese Tobintaks. Wim Moesen: "Vandaag gaan de financiële bonobo's op zoek naar inefficiënties en distorsies in het systeem. Dankzij hoge volumes kunnen zij grote winsten maken. Door een kleine heffing op ingewikkelde transacties zonder toegevoegde waarde in te voeren, lopen we geen economisch nadeel op. Net als bij milieuvriendelijke wagens, die zuiniger rijden, kan er zo op maatschappelijke kosten bespaard worden. Bovendien pakt een Tobintaks het probleem van de superbonussen aan. Dat zijn immers vergoedingen voor de megawinsten die internationale handelaars met onnodig gekunstelde constructies maken. Daarnaast beschermt de Tobintaks het financiële systeem tegen een verspreiding van toxische producten. Ten slotte vermindert de Tobintaks de huidige discrepantie tussen de hoge belasting op arbeid en de lage belasting op kapitaal. Zelfs de liberale minister van Financiën, Didier Reynders, spreekt zich tegenwoordig positief uit over een belasting op financiële transacties." De maatregel past in de economische theorie van wijlen Arthur Pigou (Universiteit van Cambridge), die stelt dat alle negatieve externe effecten in de prijs van het eindproduct gecalculeerd moeten worden om een efficiënte marktwerking te bekomen. Wim Moesen: "Ook de invoering van groene belastingen vormt een mogelijkheid om de huidige tekorten in de nationale begrotingen van de Europese lidstaten op te vangen. Milieu, congestiekosten, gezondheidskosten en ongevallen moeten bijvoorbeeld geïncorporeerd worden in de benzineprijs. In Europa is op dit ogenblik het klimaat gunstig om naar dat soort maatregelen over te stappen. Het kan om een carbon tax gaan, maar ook om andere vormen, zoals rekeningvliegen (kerosinetaks). Milieu kan immers gezien worden als een Europees publiek goed. Als er op dat vlak nadelige effecten zijn, zou Europa moeten ingrijpen en de opbrengst zou naar Europa moeten gaan. Dat is opnieuw een hydraulisch systeem, waarbij de bijdragen van alle landen collectief naar beneden gaan." Daarnaast kunnen de economische relanceplannen gefinancierd worden door in te grijpen op de openbare uitgaven, maar dat is niet gemakkelijk. Overheden snijden niet graag in eigen vlees om hun achterban niet tegen het hoofd te stoten. Nochtans zijn er op dat vlak belangrijke performantiewinsten te boeken. Zo staat België slechts op de dertiende plaats in de top 20 van de Wereldbank, ondanks het feit dat onze publieke sector 48 % van het bbp inneemt (en daarmee de zesde grootste is). Wim Moesen: "De statistieken leren dat de correlatie tussen budgettaire middelen (input) en de performantie van de overheid (output) niet significant is. Wel heeft een kleine open economie een grotere publieke sector nodig om de weerslag van de conjuncturele schommelingen in de reële economie op te vangen (Rodrik-hypothese). Bovendien blijkt uit eigen onderzoek dat de omvang van de publieke sector zelfs nog sterker beïnvloed wordt door de gemiddelde gezinsgrootte in een land. Hoe groter het gezin, hoe robuuster de verzekering tegen 'kwade dagen' binnen het gezin zelf. Hoe kleiner het gemiddelde gezin, hoe meer er een beroep moet worden gedaan op publieke voorzieningen (kinderopvang, buitenschoolse activiteiten, ouderenzorg, bijzondere jeugdzorg, enzovoort). Hier is dus nog veel werk aan de winkel, maar eerder op nationaal dan op Europees vlak." Ten slotte is er nog de aanpak van de schuldfinanciering zelf om de Europese relanceplannen te financieren. Op dat vlak pleit Wim Moesen in een gemeenschappelijk artikel met Paul De Grauwe voor de invoering van gemeenschappelijke Eurobonds. De economen breken een lans voor een gewogen gemiddelde met behoud van nationale rentevoeten per lidstaat. Wim Moesen: "Als alternatief voor de Amerikaanse staatsobligaties zou een Europees emissievehikel, zoals de Europese Centrale Bank (ECB) of de Europese investeringsbank (EIB), gemeenschappelijke euro-obligaties kunnen uitgeven. Op dit ogenblik is er nog een grote spreiding in de rentevoeten. Zo kan Duitsland op tien jaar lenen tegen 3,3 % couponrente. In Frankrijk is dat 3,2 %, in Nederland 3,5 %, in België 3,7 % en Griekenland moet 5,6 % betalen. Er zijn twee redenen voor die verschillen in rentevoet. Om te beginnen is er de omvang van de markt. De Belgische en de Griekse markt zijn in volume kleiner dan de Duitse markt. Daarnaast is er het verschil in debiteurenrisico ( default risk), zoals gepercipieerd door de markten. De internationale gemeenschap meent dat de kans dat Griekenland eventueel zijn schulden niet kan betalen, groter is dan de kans dat Duitsland dat niet kan." Om wisselrisico's, liquiditeitsproblemen en het vrijbuiterseffect (het dilemma dat mensen gebruik kunnen maken van een collectief goed of een dienst zonder ervoor te hoeven betalen) te vermijden, stellen de Leuvense economen een internationale obligatie met een gewogen gemiddelde rentevoet van bijvoorbeeld 3,4 % voor, waarbij elke lidstaat aan de ECB de eigen interestvoet zou betalen. Frankrijk zal immers nooit internationaal willen lenen via het loket van Europa tegen 3,4 % als het zelf autonoom tegen 3,2 % kan lenen. De maatregel is in het voordeel van zowel de grote als de kleine landen. Wim Moesen: "De kleine landen hebben de garantie dat wanneer het water hen aan de lippen staat, er nog steeds een Europees loket is. Daarnaast zijn de gemeenschappelijke Eurobonds een alternatief voor de Amerikaanse staatsfondsen ( sovereign bonds). Landen als China, Singapore en de Arabische staten hebben enorme overschotten die grotendeels belegd worden in Amerikaans staatspapier. Die landen hongeren naar portefeuillediversificatie. Mocht men erin slagen een grote internationale markt te ontwikkelen, dan biedt men een alternatief voor de Verenigde Staten. Een portefeuillebeheerder wil over verschillende pakketten spreiden. En dan wordt het ook gunstig voor de grote landen. Hernemen we even ter illustratie het numerieke voorbeeld. Stel dat men kan lenen tegen 3,40 %, gezamenlijk in Europa als 'buitentarief'. In de hypothese dat de gemeenschappelijke Eurobonds een succesvol en adequaat beleggingsalternatief kunnen worden, zal ook de couponrente kunnen dalen tot onder het niveau van de gewogen gemiddelde rente van de lidstaten. En die 'winst' kan dan over alle deelnemende landen versleuteld worden." (C) Door Eric Pompen"Als alternatief voor de Amerikaanse staatsobligaties zou een Europees emissievehikel gemeenschappelijke euro-obligaties kunnen uitgeven."