Eén keer per week of zelfs verschillende keren per week het loon uitbetaald krijgen. Daarna snel naar de winkel lopen om het geld uit te geven. Met dat geld haast de winkelier zich naar de bank om het om te zetten in vreemde deviezen. Dat was het dagelijkse leven in het Duitsland van 1922-1923. De hyperinflatie had de economie totaal ontwricht. De geschiedenis van de hyperinflatie en de angst voor geldontwaarding waar de Duitsers nog altijd mee kampen, zijn bekend. Maar Frederick Taylor heeft er met The Downfall of Money eindelijk een overzichtswerk van gemaakt.
...

Eén keer per week of zelfs verschillende keren per week het loon uitbetaald krijgen. Daarna snel naar de winkel lopen om het geld uit te geven. Met dat geld haast de winkelier zich naar de bank om het om te zetten in vreemde deviezen. Dat was het dagelijkse leven in het Duitsland van 1922-1923. De hyperinflatie had de economie totaal ontwricht. De geschiedenis van de hyperinflatie en de angst voor geldontwaarding waar de Duitsers nog altijd mee kampen, zijn bekend. Maar Frederick Taylor heeft er met The Downfall of Money eindelijk een overzichtswerk van gemaakt. Interessant is dat Taylor dieper ingaat op de oorzaken en ook de link legt met het recente beleid van massale geldcreatie. Zit hyperinflatie er opnieuw aan te komen? In deze tijden waarin vooral sprake is van deflatie lijkt dat weinig realistisch. Maar volgens de auteur is er weinig nodig om een regering te doen beslissen schulden weg te werken via geldcreatie en inflatie. Duitsland koos volgens Taylor in de jaren twintig doelbewust voor hyperinflatie omdat dat de enige manier was om zijn oorlogsschulden af te betalen. En om tegemoet te komen aan de belangrijkste eis van de geallieerden in het Verdrag van Versailles van 1919: 132 miljard goudmark (31 miljard in vooroorlogse dollars) aan herstelbetalingen voor de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog. Maar het gros van de Duitse publieke opinie vond die eis van de geallieerden onaanvaardbaar. Indien de Duitse regering had besloten die oorlogsschuld terug te betalen via hogere belastingen, dan had dat zeker het einde betekend van de nog jonge Duitse Weimarrepubliek. Tussen 1918 en 1923 werden verschillende staatsgrepen van extreemlinks en extreemrechts verijdeld. De beste manier om de schuld weg te werken, was een ineenstortende Duitse mark die tot inflatie leidt, dacht men in Berlijn. Het naar beneden praten van die mark, een opwaartse loon-prijsspiraal in de industriële gebieden om de sociale rust te handhaven, de economische ontwrichting van het Ruhrgebied na de Frans-Belgische bezetting in 1923 (om de herstelbetalingen af te dwingen): dat alles leidde tot een massale ontwaarding van de Duitse mark. De verhouding van de Duitse mark tot de dollar steeg tussen 1914 en 1923 van 4,19 tot 4200 miljard. De hyperinflatie gooide alle economische en maatschappelijke verhoudingen overhoop. De impact was groter dan de vandaag de dag grappige foto's van mensen die D-Markbiljetten als behangpapier gebruikten omdat ze goedkoper waren dan echt behangpapier. De middenklasse raakte haar spaargeld in één dag kwijt. Schuldenaars waren dan weer de grote winnaars en konden bijvoorbeeld hypotheken vliegensvlug terugbetalen. Speculanten werden in een oogwenk schatrijk. De radicale rechterzijde gaf de joden de schuld van het financiële armageddon. In november 1923 werd een rechtse staatsgreep onder leiding van de nog jonge Adolf Hitler verijdeld. De hyperinflatie werd eind dat jaar een halt toegeroepen door een radicaal ingrijpen van de Reichsbank, die een nieuwe munt -- de Rentenmark -- invoerde en de waardeloze oude munt verving. Tegen het voorjaar van 1924 was de financiële rust in Duitsland teruggekeerd. Frederick Taylor, The Downfall of Money. Germany's Hyperinflation and the Destruction of the Middle Class, Bloomsbury, 2013, 416 blz., 40 euro ALAIN MOUTON