November 2010. De economie in de Verenigde Staten zit in het slop. In Massachusetts verzamelen 32 academici uit verschillende domeinen zich in de Production in the Innovation Economy (PIE) Commission. Het doel? Aanbevelingen formuleren over de productiesector voor president Barack Obama.
...

November 2010. De economie in de Verenigde Staten zit in het slop. In Massachusetts verzamelen 32 academici uit verschillende domeinen zich in de Production in the Innovation Economy (PIE) Commission. Het doel? Aanbevelingen formuleren over de productiesector voor president Barack Obama. Drie jaar later zit Olivier De Weck in de Aula Magna van de KU Leuven. Hij komt er voor de Alumni Ekonomika spreken over het pas gepubliceerde boek Production in the Innovation Economy. Hoewel de Amerikaanse economie weer in de lift zit, mede door het goedkope schaliegas, blijft de situatie voor de Amerikaanse productiesector precair. De toegevoegde waarde van de sector stijgt wel, maar de werkgelegenheid is er in tien jaar drastisch gedaald. Waren er in 2001 nog 18 miljoen mensen actief in de Amerikaanse productiesector, dan zijn dat er nu nog 12 miljoen. "In de vorige eeuw maakte de productiesector ook verschillende crisissen door. Telkens rees de vraag of er nog een toekomst was voor productie in het Westen. Vandaag is dat niet anders, maar deze crisis verschilt toch fundamenteel van de voorgaande. Wanneer tijdens vorige recessies jobs verloren gingen in de productiesector, werden die opgepikt door andere sectoren. Dat is vandaag maar voor de helft van de verloren jobs het geval. Het komt er dus op aan nieuwe jobs te creëren. Een vraag die we ons daarbij stelden, was of de Verenigde Staten -- en bij uitbreiding de westerse economieën -- in staat zijn nieuwe banen te scheppen in de productiesector", zegt Olivier De Weck. OLIVIER DE WECK. "We geloven sterk dat productie en innovatie hand in hand gaan. Dat blijkt ook uit de PIE-studie. Er is een soort van kritische grens. Als de productie in een land onder een bepaald niveau zakt, zoeken mensen met innovatieve ideeën -- ontwerpers, ingenieurs, managers -- andere horizonten op. Daarin schuilt een groot gevaar, want dan valt de innovatie in het land stil. En innovatie is nu net de motor voor een dynamische en gezonde economie. "Voor bepaalde traditionele productiesectoren, zoals de autosector, is de productie gemakkelijker te scheiden van het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe producten. De technologie is matuur, waardoor er een soort recept bestaat voor de productie van de goederen. Maar wil een producent echt innoveren, dan is het belangrijk een deel van de productie, bijvoorbeeld van de goederen met de grootste toegevoegde waarde, dicht bij huis te houden. Stel dat een halfgeleiderfabrikant radicaal wil innoveren door bijvoorbeeld elektronica in kledij te verwerken. Als hij niet in staat is zelf te produceren omdat hij de kennis over het productieproces kwijt is, dan verliest hij aan snelheid. In een snel veranderende economie is dat nefast." DE WECK. "De toegevoegde waarde van de productiesector in België bedroeg in 2012 zo'n 60 miljard dollar. Dat wijst erop dat de sector nog vrij sterk staat in ons land. Het heikele punt is dat onze arbeidskosten erg hoog zijn. Het is natuurlijk een politieke beslissing of lonen al dan niet worden beschermd. Ik denk dat de lonen artificieel hoog zijn door de politieke inmenging. Op lange termijn ondermijnt dat de productiviteit en de concurrentiekracht en bestaat het risico bepaalde industrieën te verliezen. In de Verenigde Staten is er evenmin een consensus over dit onderwerp, maar er heerst wel het idee dat het beter is een robuuste productiesector te hebben op basis van lagere lonen, dan helemaal niets te hebben. We zien momenteel een duale beweging in de VS: enerzijds is er de hightechindustrie met hogere loonschalen, anderzijds evolueren bepaalde delen van de VS, vooral de zuidoostelijke staten met meer traditionele productiesectoren, naar mediumlonengebieden. Dat wordt gedreven door de globale markt." DE WECK. "Inderdaad, maar loonkosten zijn niet de enige factor in de beslissing om in een bepaald land te produceren. In de late jaren negentig verhuisden bedrijven massaal hun productie naar lagelonenlanden, maar doorgaans begonnen ze vrij naïef aan dat avontuur. Het is belangrijk een goed inzicht te hebben in de volledige productieketen om de echte kosten van uitbesteding te berekenen. Voor bepaalde producten is produceren in lagelonenlanden niet voordelig. Het is daarbij van belang ook het verlies aan flexibiliteit in kaart te brengen. Wat als je concurrent van bestelling tot levering van het product slechts twee weken tijd nodig heeft, terwijl jouw producten vanuit Sjanghai vier weken onderweg zijn? Andere factoren die mee wegen in de beslissing ergens te produceren zijn de kwaliteit van het onderwijs, de infrastructuur, de transportkosten, de wetgeving en noem maar op. Regio's die economisch op lange termijn succesvol willen zijn, moeten het beslissingsproces van bedrijven beter leren te begrijpen." DE WECK. "Ik denk dat er in de toekomst meer productie kan zijn in het Westen dan nu, wat niet betekent dat er extra jobs zullen zijn. Ik merk dat produceren weer 'in' is, maar dan niet de traditionele manier van produceren. De meeste mensen vereenzelvigen fabrieken met schoorsteenpijpen en vervuiling. De productievestigingen van de toekomst zijn hightech, duurzaam en zorgen voor intellectuele uitdaging. Automatisering en robotica zullen daarbij een belangrijke rol spelen. Niet ter vervanging van de menselijke arbeid -- zoals in het verleden vaak het geval was -- maar als een aanvulling erop, zodat medewerkers nog efficiënter kunnen werken. Denk daarbij bijvoorbeeld aan technologie als Google Glass." DE WECK. "Vandaag zien we de productieketen als een rechtlijnig proces: je wint natuurlijke grondstoffen, produceert onderdelen en assembleert ze om tot een eindproduct te komen. Geavanceerde productie gaat veel breder, en dat op vier vlakken. Ten eerste geloven we dat in de materialenwetenschappen een punt is bereikt dat we synthetische materialen van goede kwaliteit kunnen ontwerpen. Bedrijven zullen dus ook niet-natuurlijke grondstoffen gebruiken in hun productieproces. Een tweede verschil is dat de grenzen tussen productie en assemblage zullen vervagen. Een derde onderscheid is dat bedrijven steeds meer geïntegreerde oplossingen zullen leveren aan de klant, waarbij het eindproduct slechts een middel is om extra diensten aan te bieden. De winsten zullen voornamelijk in die extra diensten zitten. Tot slot geloven we dat er bij geavanceerde productie een sterke recyclingcyclus zal zijn." DE WECK. "Het is altijd een mix van acties, maar op nummer één staat investeren in industriële ecosystemen. Dat zijn groepen van bedrijven die zich in eenzelfde geografische regio bevinden en die verschillende, complementaire producten maken. Als een bedrijf een prototype van een product maakt, heeft het organisaties rond zich nodig die dat product mee kunnen vormgeven. Als bedrijven die kennis niet beschikbaar hebben in een cirkel van enkele uren, maximum een dag reistijd, dan vertraagt dat de hele organisatie. We zien vandaag in de VS dat er grote gaten zitten in de indus- triële ecosystemen. Een van de redenen daarvoor is dat grote verticale organisaties enkel nog focussen op de kernactiviteiten en opereren als een globaal netwerk. Vooral kmo's lijden daaronder. De belangrijkste aanbeveling uit het PIE-onderzoek is dan ook om als overheid te investeren in het versterken van die industriële ecosystemen." MAAIKE THOEN"De productievestigingen van de toekomst zijn hightech, duurzaam en zorgen voor intellectuele uitdaging"