Tot voor het ophefmakende aftreden van Johan Van Hecke als CVP-voorzitter behoorde het artikel dat Frank Vandenbroucke, SP-fractieleider in de Kamer, pleegde in het aprilnummer van Samenleving en Politiek tot de meest opmerkenswaardige politieke gebeurtenissen van dit jaar. Onder de titel Kanttekeningen bij het Rapport van de Groep van Lissabon (het rapport dat onder leiding van Ricardo Petrella tot stand kwam en behoorlijk zwaar inhakt op vrijemarkteconomie en internationale concurrentie) gaat Vandenbroucke op zoek naar wat hij noemt een redelijke utopie, iets dat een politieke beweging volgens hem nodig heeft om te kunnen overleven.
...

Tot voor het ophefmakende aftreden van Johan Van Hecke als CVP-voorzitter behoorde het artikel dat Frank Vandenbroucke, SP-fractieleider in de Kamer, pleegde in het aprilnummer van Samenleving en Politiek tot de meest opmerkenswaardige politieke gebeurtenissen van dit jaar. Onder de titel Kanttekeningen bij het Rapport van de Groep van Lissabon (het rapport dat onder leiding van Ricardo Petrella tot stand kwam en behoorlijk zwaar inhakt op vrijemarkteconomie en internationale concurrentie) gaat Vandenbroucke op zoek naar wat hij noemt een redelijke utopie, iets dat een politieke beweging volgens hem nodig heeft om te kunnen overleven. Uit het doorzwoegde document leren we, primo, dat Frank Vandenbroucke voor de markteconomie een ruime plaats voorziet in dat redelijk utopisch maatschappijbeeld, en secundo, dat de kwalijke gevolgen van mondialisering en internationale concurrentie voor een land als België niet overtrokken moeten worden (zie ook het Omslagverhaal blz. 30). Kort na de analyse van Vandenbroucke kwam zijn partijgenoot, het Vlaams parlementslid Robert Voorhamme, in dit blad op de proppen met een aantal stellingen die niet direct behoren tot de klassieke rode retoriek en die in elk geval ook wijzen op een meer marktgericht denken (zie Trends van 23 mei). In vergelijking met de theatrale circusnummers waarvan hun partijvoorzitter zich steeds meer bedient, vormen de analyse van Vandenbroucke en de uitlatingen van Voorhamme een oase van sérieux. Precies in deze periode van opmerkelijke (Vlaams-)socialistische bezinning, zette Guy Verhofstadt zijn eerste openbare stappen na de politieke quarantaine. Daarbij toonde de liberale vernieuwer zich plotseling een stuk meegaander dan in het verleden ooit het geval is geweest vooral op het vlak van de aan te nemen houding tegenover de belangengroepen (syndicaten, mutualiteiten,...). Het lijkt echter wat te voorbarig om op basis van al het voorgaande paarse dromen te gaan koesteren naar Nederlands model. Daarvoor is immers enerzijds de totalitaire greep van Louis Tobback op de partij én haar mensen nog te loodzwaar, en anderzijds het strikt persoonlijke antagonisme tussen Guy Verhofstadt en Frank Vandenbroucke al te nadrukkelijk aanwezig. Naast al het positieve blijven in de zienswijze van Vandenbroucke een aantal ideëen rondfladderen die zeker niet thuishoren bij een modern intellectueel (wat Vandenbroucke zeker is). Daar waar hij de gebieden afbakent waarop concurrentie kan spelen, schrijft hij : "In het denken en in de praktijk van de voorbije vijftien jaar zijn meer en meer maatschappelijke sectoren onderworpen aan de markt en de concurrentie. Het cynisme waarmee allerlei menselijke activiteiten ook de politiek in een individualistisch concurrentieel kader worden gedacht, is één van de grote kwalen van deze tijd".Hij verwijst er niet naar, maar het is overduidelijk dat Frank Vandenbroucke hier concreet denkt aan het type van economische analyse waarvoor reeds drie economen de Nobelprijs Economie kregen : George Stigler (in 1982), James Buchanan (in 1986) en vooral Gary Becker (in 1992). Deze mensen staan voor een vorm van economische analyse die we het best kunnen weergeven met een citaat uit de Nobellezing van Becker. "De economische benadering van het menselijk gedrag," aldus Becker in Stockholm, "is een methode van analyse en geen eenduidige hypothese omtrent de menselijke motivaties. (...) De analyse neemt als uitgangspunt dat individuen hun welvaart en welzijn maximaliseren zoals zij die begrippen voor zichzelf concipiëren. Het kan daarbij zowel gaan om altruïsme en loyauteit als om egoïsme, hebzucht en eigenbelang."Deze aanpak leidde de voorbije decennia tot een massa bijzonder waardevolle inzichten op het vlak van onder meer criminaliteit, huwelijk en familie, discriminatie van minderheden en gedrag van bureaucraten en politici. Conform bovenvermeld citaat gaan Becker & Co. ervan uit dat politici ook menselijke wezens zijn, die gedreven worden door allerlei motivaties. Dat kunnen verheven doelstellingen van algemeen belang zijn, maar het kunnen net zo goed veeleer groepsgebonden of zelfs gewoon individualistische en egoïstische elementen zijn. Empirisch onderzoek en dagdagelijkse observatie leren dat het erg frustrerend werkt wanneer men de politiek uitsluitend tracht te begrijpen vanuit het "edele" standpunt dat politici het algemeen belang nastreven. Het is begrijpelijk dat iemand als Frank Vandenbroucke dat soort conclusies niet graag hoort verkondigen net als de meeste andere politici trouwens. Helaas voor hen verandert dat geen moer aan het waarheidsgehalte van die conclusies. JOHAN VAN OVERTVELDT