Sinds enkele jaren heeft de fiscale wetgever een nieuwe manier ontdekt om de loonkosten te laten zakken. In een aantal gevallen ontslaat hij de werkgevers in zekere mate van de verplichting de ingehouden bedrijfsvoorheffing door te storten aan de schatkist.
...

Sinds enkele jaren heeft de fiscale wetgever een nieuwe manier ontdekt om de loonkosten te laten zakken. In een aantal gevallen ontslaat hij de werkgevers in zekere mate van de verplichting de ingehouden bedrijfsvoorheffing door te storten aan de schatkist. In de koopvaardij-, bagger- en sleepvaartsector is de vrijstelling (onder bepaalde voorwaarden) volledig. In een aantal andere sectoren geldt een gedeeltelijke vrijstelling. Zo zijn ondernemingen waar ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht, ervan vrijgesteld de ingehouden bedrijfsvoorheffing ten belope van 5,63 % van de belastbare bezoldigingen door te storten aan de schatkist. Ondernemingen die voor overuren een 'overwerktoeslag' betalen, mogen de bedrijfsvoorheffing bij zich houden voor 24,75 % van de bezoldigingen die als basis voor de berekening van de overwerktoeslag hebben gediend. Onderzoek. De fiscale wetgever gebruikt de vrijstelling van de doorstortplicht ook om het wetenschappelijk onderzoek te stimuleren. Zo zijn universiteiten en hogescholen er al enige tijd van ontheven een gedeelte van de bedrijfsvoorheffing door te storten, die zij inhouden op de bezoldigingen van hun assistent-onderzoekers. Hetzelfde geldt voor het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (NFWO) en het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen ten aanzien van hun postdoctorale onderzoekers. Op dezelfde manier geniet ook een aantal erkende wetenschappelijke instellingen dezelfde vrijstelling ten aanzien van hun assistent-onderzoekers en postdoctorale onderzoekers. Voor de erkende wetenschappelijke instellingen slaat de vrijstelling op de helft van de ingehouden bedrijfsvoorheffing. Bij de universiteiten en zo bedraagt de vrijstelling op dit ogenblik 65 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing. Privésector. Sinds vorig jaar wordt dezelfde fiscale techniek ook gebruikt om het wetenschappelijk onderzoek in de privésector aan te zwengelen. Zo is de vrijstelling van de doorstortplicht vanaf oktober van vorig jaar ook van toepassing op ondernemingen die onderzoekers laten werken aan onderzoeksprojecten. Dat moet dan wel gebeuren in het kader van samenwerkingsovereenkomsten met universiteiten of hogescholen uit de Europese Economische Ruimte, of met erkende wetenschappelijke instellingen. De vrijstelling slaat hier op de helft van de ingehouden bedrijfsvoorheffing. De wet over het Generatiepact heeft daar nu nog twee nieuwe vrijstellingen aan toegevoegd. Sinds begin dit jaar geniet elke onderneming die onderzoekers tewerkstelt in onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's een vrijstelling van de doorstortplicht, zonder dat daarvoor een samenwerkingsovereenkomst met een universiteit of zo nodig is. De vrijstelling is wel beperkt tot 25 %. Een bijkomende voorwaarde is dat de onderzoekers over een specifiek diploma moeten beschikken, met name een diploma van doctor in de toegepaste wetenschappen, de exacte wetenschappen, de geneeskunde, de diergeneeskunde, of van burgerlijk ingenieur. Met ingang van 1 juli van dit jaar zal bovendien een nieuwe vrijstelling gelden voor wat de wet een Young Innovative Company noemt. De vrijstelling zal hier slaan op de helft van de bedrijfsvoorheffing die de vennootschap inhoudt op de bezoldigingen van het wetenschappelijk personeel dat ze tewerkstelt. Met deze maatregel wil de wetgever - naar het voorbeeld van Frankrijk - de onderzoeksinspanningen van kleine innovatievennootschappen in het bijzonder aanmoedigen. Een Young Innovative Company is een vennootschap die onderzoeksprojecten uitvoert. Zij moet jong zijn (minder dan tien jaar bestaan), en klein (in de zin van het Wetboek van Vennootschappen). Voor het voorgaande jaar moet ze minstens 15 % van haar kosten hebben besteed aan onderzoek en ontwikkeling. Om te vermijden dat grote of oude(re) vennootschappen hun onderzoekswerkzaamheden onderbrengen in nieuwe kleine vennootschappen om in aanmerking te komen voor het fiscale voordeel, of om het te optimaliseren, zegt de wet uitdrukkelijk dat de vennootschap niet opgericht mag zijn in het kader van "een concentratie, een herstructurering, een uitbreiding van een vroegere activiteit of een overname van dergelijke activiteiten". Voldoet de Young Innovative Company op het einde van een belastbaar tijdperk niet meer aan de gestelde voorwaarden, dan vervalt de vrijstelling van de doorstortplicht vanaf de eerstvolgende maand. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn zodra de vennootschap meer dan tien jaar bestaat, of niet meer klein is. Om het voordeel te genieten is niet vereist dat een nieuwe vennootschap wordt opgericht. Een bestaande vennootschap die aan de voorwaarden voldoet, mag zich ook een Young Innovative Company noemen. Vanaf het tweede semester van dit jaar mag die de helft van de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen van haar wetenschappelijke personeelsleden in eigen zak steken. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. Jan Van Dyck