Het internet is de verkeersader van onze moderne economie. Welke impact dat heeft, merk je meteen als je de netwerkserver op kantoor uitschakelt. We zijn vergroeid met IT en data, veel data. Het probleem is dat onze netwerkinfrastructuur hopeloos verouderd dreigt te raken. Grote delen zijn al uitgerust met glasvezel. Maar de broodnodige laatste meters, die van de grote verdeelkasten in de straten tot aan de aansluitingen in huis, nog niet. Daardoor is de capaciteit nog beperkt, vooral voor het versturen van data. Eenvoudig gesteld kunnen we ons de kabel als een grote buis voorstellen. Data die we in de huiskamer ontvangen -- kijkvoer met digitale kwaliteit -- gaat door een grote koker. Maar in de tegenovergestelde richting is er nu slechts in een klein buisje voorzien. De netwerkinfrastructuur moet v...

Het internet is de verkeersader van onze moderne economie. Welke impact dat heeft, merk je meteen als je de netwerkserver op kantoor uitschakelt. We zijn vergroeid met IT en data, veel data. Het probleem is dat onze netwerkinfrastructuur hopeloos verouderd dreigt te raken. Grote delen zijn al uitgerust met glasvezel. Maar de broodnodige laatste meters, die van de grote verdeelkasten in de straten tot aan de aansluitingen in huis, nog niet. Daardoor is de capaciteit nog beperkt, vooral voor het versturen van data. Eenvoudig gesteld kunnen we ons de kabel als een grote buis voorstellen. Data die we in de huiskamer ontvangen -- kijkvoer met digitale kwaliteit -- gaat door een grote koker. Maar in de tegenovergestelde richting is er nu slechts in een klein buisje voorzien. De netwerkinfrastructuur moet volledig uit glasvezel bestaan om tot echt tweerichtingsverkeer te komen. Een oude bekende, Karel Uyttendaele, kaartte die problematiek enkele weken geleden aan in een gastbijdrage in de krant De Standaard. Hij is de bezieler van het project 'De wereld aan mijn voeten', maar ook ex-topman van Agoria en hij is gepokt en gemazeld in de telecom- en IT-wereld. Karel stelt voor het beheer van de netwerkinfrastructuur te scheiden van andere telecomdiensten. Ik ben hem dankbaar voor die hint. We hebben nood aan een sterke, publieke netwerkinfrastructuur met een veelvoud van de huidige capaciteit in beide richtingen. Een infrastructuur die bovendien niet discrimineert. Maar in de huidige situatie -- slinkende winsten en onduidelijk kader -- is er weinig interesse voor zware investeringen in dat internet van de toekomst. Meer nog, er dreigt een Electrabel-scenario voor onze Belgische netwerkinfrastructuur, waarbij alles in buitenlandse handen terechtkomt. Dat zou erg nadelig zijn voor onze economie. Privégebruikers worden misschien goed bediend met de huidige infrastructuur, maar voor de zakelijke grootverbruikers komen de limieten in zicht. De hoeveelheid data die zij versturen, is erg groot. Die bedrijven worden zo afhankelijk van data dat een internetpanne of serieuze netwerkvertragingen genoeg zijn om een bedrijf lam te leggen. Onze welvaart is grotendeels afhankelijk van onze productiviteit, de automatisering en het beheer van wat ons nog rest aan industriële activiteiten. Na de Tweede Wereldoorlog konden zowel bedrijven als particulieren profiteren van de massale investeringen in de publieke wegeninfrastructuur. Dat zou zich nu moeten herhalen voor onze netwerkinfrastructuur. Maar misschien is het te laat. Bedrijven bouwen zelf al hun eigen privénetwerken uit, maar dat is niet altijd in het algemene economische belang. Google plant bijvoorbeeld 3G-internet via ballonnen in de stratosfeer. Ik ben geen specialist in eigendomsrechten, maar ik vermoed dat de stratosfeer niet echt Belgisch eigendom is. We denken dus beter niet alleen na over de lokale netwerkinfrastructuur, maar ook over zulke nieuwe infrastructuurinitiatieven. Bovendien moeten we ervoor zorgen dat we de digitalisering nog vertaald krijgen in lokale werkgelegenheid. Op dit moment consumeren we hier nog vooral de technologische revolutie, in plaats dat we er echt toegevoegde waarde uit halen. Waar vinden we bijvoorbeeld het Europese equivalent van de iPhone? Van zo'n toestel blijft hier enkel de lokale distributiemarge plakken, ongeveer 10 procent. De rest gaat grotendeels naar de VS. Voor zulke hoogtechnologische producten en diensten hebben we een betere netwerkinfrastructuur nodig, maar het mag daar niet stoppen. We hebben ook nieuwe technieken nodig voor duurzaam datatransport. De bestaande technieken om bestanden te comprimeren, botsen op hun limieten. Amerikaanse bedrijven investeren daarom in nieuwe technologie, zoals datafederatie. Die worden broodnodig, want de hoeveelheid informatie die de maatschappij genereert, groeit enorm. De auteur is CEO van Melotte en oprichter van Innocrowd.MARIO FLEURINCKEr dreigt een Electrabel-scenario voor onze Belgische netwerkinfrastructuur, waarbij alles in buitenlandse handen terechtkomt.