Wat heeft het federalisme met de Olympische Spelen te maken? Sport en politiek zijn toch volledig gescheiden? Niet als het om het 'olympisch' debat over de plaats van Tibet in China gaat. De internationale pers hamert op het respect voor de mensenrechten. Er moet echter een onderscheid gemaakt worden tussen de problemen van Tibet en die van de hele Chinese volksrepubliek. Mensenrechten zijn niet alleen een probleem in Tibet. Mensenrechtenactivisten dringen impliciet aan op een politieke omwenteling in heel China. Dat verklaart meteen de buitensporige reacties van de Chinese bewindvoerders.
...

Wat heeft het federalisme met de Olympische Spelen te maken? Sport en politiek zijn toch volledig gescheiden? Niet als het om het 'olympisch' debat over de plaats van Tibet in China gaat. De internationale pers hamert op het respect voor de mensenrechten. Er moet echter een onderscheid gemaakt worden tussen de problemen van Tibet en die van de hele Chinese volksrepubliek. Mensenrechten zijn niet alleen een probleem in Tibet. Mensenrechtenactivisten dringen impliciet aan op een politieke omwenteling in heel China. Dat verklaart meteen de buitensporige reacties van de Chinese bewindvoerders. Het probleem van Tibet kan ook als een staatkundig probleem worden beschouwd. De dalai lama dringt niet voor niets aan op meer autonomie. Autonomie is een concept uit een federale structuur. Ruimere autonomie voor Tibet alleen is geen oplossing omdat dit te veel op een afscheiding zou lijken. Maar er zijn nog andere gebieden waarover China de soevereiniteit claimt en die toch over autonomie of zelfs onafhankelijkheid beschikken: Hongkong, Taiwan en Macao. Nochtans gaf dit geen aanzet om te denken aan een federaal systeem van bevoegdheidsverdeling. De reactie van de Chinese bewindsmensen op het woord 'autonomie' doet denken aan die van sommige Franstaligen in België toen Vlamingen autonomie eisten in de jaren 60. Dat werd beschouwd als een rechtstreekse bedreiging voor de unitaire staat die zou leiden tot de splitsing van België. Ondertussen zijn we al een halve eeuw verder. Naast de culturele verschillen zijn er in China ook de economische en sociale verschillen die de afgelopen jaren sterk toenamen. De halve cirkel van kustprovincies die zich uitstrekken langs de Gele Zee en de Chinese Zee heeft een fenomenale ontwikkeling gekend. Ze kunnen niet meer als ontwikkelingsgebieden worden gecatalogeerd. Daarnaast bestaan er uitgestrekte delen van het binnenland die, zeker op het platteland, ontwikkelingsgebieden zijn. De spanning daartussen wordt met de dag groter. Toch zijn er in de Chinese officiële staatsstructuur weinig elementen die rekening houden met deze verschillen. Er is wel niet-officiële autonomie, waarbij binnen bepaalde provincies de centrale wetten en besluiten op een eigen manier worden toegepast. Bijvoorbeeld in de toepassing van het centrale belastingsysteem was en is er een grote verscheidenheid. Provinciale belastingadministraties passen de wetten vaak op hun eigen manier toe. De fiscale opbrengsten van de verschillende provincies zijn erg ongelijk. Het stadsgebied Shanghai heeft een belastingopbrengst die vele keren hoger ligt dan wat het nuttig kan gebruiken, terwijl provincies als Gansu en Shaanxi in het binnenland helemaal niet rondkomen. De overdracht van de middelen van de provincies naar de centrale overheid loopt mank. Daardoor is de organisatie van een herverdeling van de middelen op centraal vlak moeilijk. Een federale staatsordening met een Finanzausgleich voor achtergestelde gebieden kan een oplossing bieden. Maar dat zijn typisch westerse concepten, totaal vreemd aan de Chinese traditie. De Chinezen zouden moeten begrijpen dat een federale structuur geen gevaar inhoudt voor de eenheid van het land. België en Spanje zijn voor China afschrikwekkende voorbeelden. Maar Canada, Australië, Duitsland, India en Brazilië zijn sterke staten waar het federalisme wel degelijk werkt. Een federale staat China kan een oplossing bieden, niet alleen voor Tibet, maar ook voor heel wat andere gebieden. De absolute politieke controle van de communistische partij is nog moeilijker. De partij zou niet dulden dat ze het monopolie van de besluitvorming verliest. De centraal gecontroleerde besluitvorming is de absolute tegenpool van de checks and balances in een federale ordening. Vandaar dat autonomie in communistische staten vaak slechts een schijnautonomie is. Hier ligt de kern van het Tibetaanse probleem. De politieke tegenmacht, belichaamd door de dalai lama, is niet communistisch en tast daardoor het communistische beslissingsmonopolie aan. Dit is voor de bewindvoerders totaal onaanvaardbaar. Dit politieke monopolie sluit ook naadloos aan bij de Chinese traditie waarin machtsdeling ondenkbaar is. Het overgrote deel van de Chinese bevolking staat vrij onverschillig ten aanzien van de partij, maar niet ten aanzien van de eenheid van het land. Politieke oplossingen die de eenheid van China niet in gevaar brengen, zijn zeker denkbaar en bespreekbaar voor de niet-communisten. In die zin vormt het Tibetaanse vraagstuk een uitdaging voor Europa. De EU moet aantonen dat een groot gebied, met een verscheidenheid aan talen, culturen en nationale tradities, een politiek geheel kan vormen. Dat het met gezag kan optreden op de internationale scène en daar eensgezind zijn belangen kan vrijwaren. Dat zou een krachtig voorbeeld zijn voor China. Zolang dat niet gebeurt, heeft Europa geen recht van spreken bij de aanbeveling van een federale oplossing. Niet voor, niet tijdens en niet na de Spelen. (T) DE AUTEUR IS PROFESSOR EMERITUS K.U. LEUVEN Frans Vanistendael