De Europese Commissie roept België weer eens op het matje omdat zijn fiscale wetgeving op verschillende punten in strijd zou zijn met de Europese fiscale regels.
...

De Europese Commissie roept België weer eens op het matje omdat zijn fiscale wetgeving op verschillende punten in strijd zou zijn met de Europese fiscale regels. Een eerste geval van mogelijke strijdigheid betreft de aanvullende gemeentebelasting. Wie in België woont, betaalt personenbelasting en daarbovenop ook nog eens aanvullende gemeentebelasting. Die schommelt, afhankelijk van de gemeente waar men woont, meestal rond 7 tot 8 %. Wie niet in België woont, maar wel inkomsten heeft die in België belastbaar zijn, is onderworpen aan de belasting van niet-inwoners. Ten aanzien van natuurlijke personen volgt deze belasting in grote lijnen de regels van de personenbelasting. Maar omdat de betrokkenen hun fiscale woonplaats niet in België hebben, kunnen zij geen aanvullende gemeentebelasting verschuldigd zijn. Niet-inwoners betalen op die manier minder belasting. Om de lat gelijk te leggen, heeft de wetgever vele jaren geleden beslist dat natuurlijke personen die niet-inwoner zijn, bovenop de belasting van niet-inwoners nog aanvullende opcentiemen verschuldigd zijn. Het tarief is op dit ogenblik vastgesteld op 7 %. De opbrengst komt ten goede aan de Belgische Staat. Volgens de Europese Commissie is deze regeling strijdig met de Europese spelregels. Niet-inwoners betalen al lokale belasting in de lidstaat waar zij wonen. Zij betalen bovendien 7 % opcentiemen in België. Daardoor betalen zij twee keer lokale belasting. Volgens de Europese Commissie kan dit niet. Zij ziet daarnaast nog een andere discriminatie. Wie in België woont, betaalt aanvullende gemeentebelasting tegen een tarief dat varieert van 0 tot 10 %. Niet-inwoners worden daarentegen onderworpen aan een vast tarief van 7 %. De Europese Commissie richt haar pijlen daarnaast op een maatregel die uitsluitend van toepassing is in het Vlaams Gewest. Een tijdje geleden besliste de Vlaamse wetgever om een forfaitaire belastingvermindering toe te staan ten aanzien van belastingplichtigen die uit een daadwerkelijke beroepsactiviteit een belastbaar inkomen halen van minstens 5.500 euro (en voor zover hun belastbaar inkomen, althans voor de aanslagjaren 2008 en 2009 niet uitstijgt boven een bepaald plafond). Voor het aanslagjaar 2008 bedraagt de vermindering 125 euro. Vanaf het aanslagjaar 2009 is zij geplafonneerd op 200 euro. Om in aanmerking te komen voor de vermindering is vereist dat men aan de Belgische personenbelasting onderworpen is en bovendien dat men inwoner is van het Vlaams Gewest. Dit betekent dat personen die in het Vlaams Gewest werken, maar er niet wonen, uitgesloten zijn van de vermindering. Dit geldt niet alleen voor Walen en Brusselaars die in het Vlaams Gewest werken, maar ook voor personen die in een andere lidstaat wonen en in het Vlaams Gewest werken. Denk bijvoorbeeld aan de Nederlandse of Duitse grensarbeiders. Voor de Europese Commissie is dit een doorn in het oog. Zij gewaagt van een mogelijke discriminatie. Of dit zo is, zal de toekomst uitwijzen. Opmerkelijk is wel, dat de Vlaamse wetgever niet veel mogelijkheden heeft om het probleem op te lossen (als effectief zou komen vast te staan dat er van discriminatie sprake is). Het Vlaams Gewest kan wel kortingen toestaan ten aanzien van de personenbelasting. Maar het is onbevoegd om hetzelfde te doen in de belasting van niet-inwoners. Die bevoegdheid komt nog altijd exclusief toe aan de federale wetgever. Een andere doorn in het oog van de Europese Commissie heeft te maken met de belasting van roerende inkomsten. Interesten en dividenden die in België worden uitbetaald of toegekend, ondergaan een bevrijdende roerende voorheffing. Dit betekent dat deze inkomsten niet meer op het aangifteformulier van de personenbelasting moeten worden vermeld. De roerende voorheffing is de eindbelasting. Dit heeft ook tot gevolg dat deze inkomsten ontsnappen aan de heffing van aanvullende gemeentebelasting. Dit is niet het geval als roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong rechtstreeks in het buitenland worden geïnd. Op deze inkomsten kan onmogelijk Belgische roerende voorheffing ingehouden worden. Het gevolg is dat zij nog wel op het aangifteformulier moeten worden vermeld. Dit met het oog op een belasting tegen een tarief dat overeenstemt met het tarief van de roerende voorheffing. Maar het feit dat deze inkomsten nog wel op het aangifteformulier moeten worden vermeld, heeft tot gevolg dat ten aanzien van deze inkomsten wel aanvullende gemeentebelasting verschuldigd is. Volgens de Europese Commissie kan dit verschil in behandeling niet door de Europese beugel. België is op deze drie punten in gebreke gesteld. Dit wil nog niet zeggen dat er een veroordeling komt. Het is nu aan België om in een verweerschrift zijn argumenten te laten kennen. Dit moet begin september gebeuren. De Europese Commissie zal vervolgens beslissen of het verweer afdoende is, dan wel of zij ons land verder vervolgt. (T) DE AUTEUR IS ADVOCAAT EN HOOFDREDACTEUR VAN FISCOLOOGJan Van Dyck