" Als ik Obama advies geef over hoe hij het Congres moet aanpakken, mag ik al blij zijn als hij alleen maar met zijn ogen draait." Nee, Jason Furman was niet naar Brussel gekomen om raad te geven over hoe je politici tot dadendrang aanzet. Op een event van de economische denktank Bruegel ging de voorzitter van de Council of Economic Advisors, zeg maar de hoofdeconoom van het Witte Huis, wel uitgebreid in op de economische verschillen tussen de VS en de eurozone, en op de gedeelde uitdagingen.
...

" Als ik Obama advies geef over hoe hij het Congres moet aanpakken, mag ik al blij zijn als hij alleen maar met zijn ogen draait." Nee, Jason Furman was niet naar Brussel gekomen om raad te geven over hoe je politici tot dadendrang aanzet. Op een event van de economische denktank Bruegel ging de voorzitter van de Council of Economic Advisors, zeg maar de hoofdeconoom van het Witte Huis, wel uitgebreid in op de economische verschillen tussen de VS en de eurozone, en op de gedeelde uitdagingen. In de nasleep van de crisis is een diepe kloof ontstaan tussen de Amerikaanse economie en de eurozone. De VS kwamen de klap eind 2013 al te boven en vandaag is de grootste economie ter wereld per inwoner zelfs 3 procent groter dan de piek in 2007. In de eurozone daarentegen is elk van ons nog altijd gemiddeld 1 procent armer dan voor de Grote Recessie (zie grafiek In de eurozone is de crisis nog niet verteerd). "Wat betekent dat de eurozone een verloren decennium zal doorgemaakt hebben", zegt Furman. De New Yorker, die Obama al sinds zijn eerste verkiezingscampagne in 2008 adviseert, is wel geen doemdenker: "Veel van die verschillen zijn het gevolg van bewuste keuzes van beleidsmakers. Wij hebben zeker ook niet alles juist gedaan. Maar jullie kunnen wel veel leren van onze ervaringen", klinkt het. Het voornaamste verschil is zonder twijfel de snelheid waarmee de problemen werden aangepakt. De Amerikaanse centrale bank (Fed) verlaagde haar voornaamste rentetarief in december 2008 zonder dralen naar nul, de bodem voor de volgende zeven jaar. "En wij namen al de eerste budgettaire maatregelen toen er officieel nog geen recessie was", klopt Furman zich op de borst. Boven op de nulrente kocht de Fed voor enkele duizenden miljarden dollars obligaties op om de economie te stimuleren. En het Witte Huis gooide er van zijn kant nog eens 1400 miljard dollar tegenaan in de vorm van belastingverlagingen, bedrijfssubsidies en investeringen, "goed voor jaarlijks 2 procent van het bruto binnenlands product". Die gecoördineerde aanpak tussen overheid en centrale bank is de tweede pijler van het Amerikaanse succesverhaal. En daar ligt voor Furman de belangrijkste les voor Europa. Het contrast met de aanpak in de eurozone kan moeilijk groter zijn. In 2011 verhoogde de Europese Centrale Bank zowaar nog de rente. En ook de overheden sloegen volgens Furman de bal mis. "De begrotingsregels, en de manier waarop die werden toegepast, sloten stimulusmaatregelen uit en zorgden ervoor dat regeringen te snel en te vroeg op de rem gingen staan. Samengevat steunde het beleid de economie veel minder dan in de VS." Voor Furman, in zijn eerste jaar aan Harvard nog kamergenoot van de acteur Matt Damon, is het duidelijk wat er vandaag moet gebeuren: investeren. "Meer overheidsmaatregelen zouden ook in de VS zinvol zijn. Maar vooral in Europa toont de hoge werkloosheid dat er nog een pak groei verloren gaat omdat er te weinig vraag is." Sommige landen, zoals Duitsland, hebben de luxe dat er voldoende ruimte is om de vraag te ondersteunen. Maar in de meeste landen zal een evenwichtig beleid nodig zijn, dat aan het einde van de rit meer ruimte laat voor investeringen of toch een bescheidener tempo van besparen oplegt. Opnieuw kunnen de VS als voorbeeld dienen. "In de crisisjaren voerden we een politiek die de economie ondersteunde op korte termijn. En tegelijk namen we maatregelen op middellange termijn die het tekort op de begroting voor de komende 25 jaar verkleinden", aldus Furman. In Europa is er negen jaar na de start van de crisis nog lang geen eensgezindheid over de aanpak van de economische problemen. Volgens Furman is met het plan-Juncker, dat voor ruim 300 miljard euro investeringen moet zorgen, wel "een belangrijke eerste stap gezet". Ook de beslissing om de kosten voor de opvang van de vluchtelingen buiten de begroting te houden omdat ze eenmalig zijn, juicht hij toe. Alleen, "dezelfde logica zou voor een bredere waaier aan investeringen moeten gelden". Het pleidooi om bepaalde uitgaven en investeringen buiten de begrotingsdoelstellingen te houden, klinkt niet zonder risico in een wereld waar de schulden de jongste jaren alleen maar zijn toegenomen. Furman maakt zich weinig zorgen, tenzij over de snelgroeiende Chinese schuldenberg. "Sommige landen zijn te bang van schulden. Dat zorgt ervoor dat niet gebeurt wat nodig is." De belangrijkste zorg voor Furman is wat in het Engels zo mooi complacency heet, zelfgenoegzaamheid. "Het grootste gevaar is dat we opgeven. Dat we niet meer proberen beter te doen. Dat we gewoonweg accepteren dat er lage groei is." De topeconoom, die aan de London School of Economics voeling kreeg met Europa, ziet een uitweg. Maar dan moeten er antwoorden geformuleerd worden op drie uitdagingen, vraagstukken op langere termijn waar alle westerse landen voor staan. De eerste gemeenschappelijke uitdaging is de lage productiviteitsgroei. In 29 van de 31 leden van de OESO, het clubje rijke landen, valt die terug. Hoewel de precieze wisselwerking voer is voor discussie, kan het volgens Furman geen toeval zijn dat in dezelfde periode ook de vraag daalt, wat er op zijn beurt voor zorgt dat er minder geïnvesteerd wordt. En dat is goed nieuws, volgens Furman, omdat er dus geen gebrek is aan innovatieve ideeën in de wereld. En er staat ook geen secular stagnation, een lange periode met gebrek aan groei en inflatie, voor de deur. Twee verklaringen voor de slabakkende productiviteit die de jongste tijd veel aanhang winnen. Neen, er is gewoon een gebrek aan investeringen. En dat is dus goed nieuws: "Niet alleen hebben we de instrumenten in handen om investeringen aan te moedigen, in het verleden is na een periode van lage investeringen ook altijd een versnelling gevolgd", klinkt de adviseur optimistisch. Het tweede vraagstuk is de ongelijkheid, die vooral in de VS sterk is toegenomen (zie grafiek). De klassieke verklaring is dat de technologische revolutie heeft gemaakt dat de lonen sneller stegen voor mensen die al goed betaald werden. Furman ziet ook wel iets in de verklaringen dat er in verschillende geledingen van de maatschappij minder concurrentie is, waardoor meer winst valt op te strijken. De oplossing? "Wat ook de bron is van de ongelijkheid, onderwijs zal altijd deel uitmaken van het antwoord", zegt Furman. 'Obama's economisch brein' stelt ook een hoger minimumloon in de VS voor, en een meer progressief belastingsysteem. Het derde en laatste knelpunt dat we in het Westen allemaal kennen, is de dalende participatiegraad, bij ons beter bekend als 'hoe krijgen we meer mensen langer aan het werk?' Furman breekt zich naar eigen zeggen het hoofd over de vraag waarom zoveel Amerikanen de arbeidsmarkt verlaten hebben. Zonder sluitende antwoorden te vinden. "Een hogere participatiegraad zou net de keerzijde moeten zijn van de grotere ongelijkheid in de VS. We gingen er altijd van uit dat in een flexibele arbeidsmarkt met zeer lage minimumlonen iedereen een job zou vinden. Dat blijkt niet het geval." Volgens Furman is die lage participatiegraad belangrijk "voor wie wil begrijpen wat er vandaag gebeurt in de Amerikaanse samenleving", een subtiele verwijzing naar het succes van de Republikeinse presidentskandidaat Donald Trump. "De werkloosheid onder blanke mannen op arbeidsleeftijd is gestegen van 3 procent in de jaren 50 naar 12 procent vandaag. En dat is niet omdat ons sociaal systeem zoveel royaler geworden is. Of omdat al die mannen getrouwd zijn met een werkende vrouw en daarom op hun gemak thuis kunnen blijven." Jasper Vekeman"Het grootste gevaar is dat we opgeven. Dat we niet meer proberen beter te doen. Dat we gewoonweg accepteren dat er lage groei is" "We gingen er altijd van uit dat in een flexibele arbeidsmarkt met zeer lage minimumlonen iedereen een job zou vinden. Dat blijkt niet het geval"