De distributie verwijt de textielproducenten dat ze tien jaar de tijd hadden om zich voor te bereiden op de opheffing van de textielquota. Maar dat argument gaat minder op voor de industrie (die zich grotendeels aanpaste) dan voor de Europese Commissie. Het is vooral de politiek die er een knoeiboel van heeft gemaakt en 77 miljoen stuks kleding heeft geblokkeerd in Europese douanedepots, waardoor kledingzaken vrezen voor tekorten in hun wintercollecties. In een poging die warboel te ontrafelen, moest een EU-delegatie zich nauwelijks twee maanden na de herinvoering van quota op Chinese kleding naar Peking reppen.
...

De distributie verwijt de textielproducenten dat ze tien jaar de tijd hadden om zich voor te bereiden op de opheffing van de textielquota. Maar dat argument gaat minder op voor de industrie (die zich grotendeels aanpaste) dan voor de Europese Commissie. Het is vooral de politiek die er een knoeiboel van heeft gemaakt en 77 miljoen stuks kleding heeft geblokkeerd in Europese douanedepots, waardoor kledingzaken vrezen voor tekorten in hun wintercollecties. In een poging die warboel te ontrafelen, moest een EU-delegatie zich nauwelijks twee maanden na de herinvoering van quota op Chinese kleding naar Peking reppen. De distributie werpt ook op dat er hoegenaamd geen redenen zijn voor nieuwe quota, omdat Europa na de vrijmaking van de textielhandel in januari 2005 helemaal niet door goedkope kleding van buiten de Unie wordt overspoeld. Wat wij meer invoeren uit China gaat immers ten koste van andere productielanden in Azië, Oost-Europa of Noord-Afrika. Toch kwamen er nieuwe quota in juli, nadat de Europese textiellobby Euratex (200.000 kleding- en textielproducenten) de Commissie overtuigde dat China de spelregels vervalst door onder de prijs van de grondstoffen producten aan te bieden. Al in 2003 had Euratex gewezen op dumpingpraktijken en bij toenmalig EU-commissaris voor Handel Pascal Lamy aangedrongen op een ingebouwd systeem van invoerbeperkingen (vrijwaringclausules, zoals afgesproken bij de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie in september 2001). Als dat gebeurd was, zouden distributeurs hun inkoopbeleid daarop tijdig afgestemd hebben en was de huidige chaos vermeden (zie blz. 22). Ofwel is er sprake van dumping en dan moet China bijsturen. Ofwel is die er niet. Hoewel bijna 90 % van de Chinese kledingproductie in privé-handen is en ruim de helft joint ventures zijn met westerse partners, zouden vooral toeleveringsbedrijven het probleem veroorzaken. Ook de Europese Commissie kon weten dat de omschakeling van de grootste staatseconomie ter wereld naar een volledige vrijemarktwerking nog niet rond is. Ze had sinds eind 2001 de tijd om met Peking een afbouwplan uit te werken voor subsidies (dumping), met een overeenkomstig uitdovingsschema voor de quota in de verschillende productcategorieën. Men zou denken dat de EU-apparatsjiks in Brussel met het politbureau in Peking daarover op eenzelfde golflengte konden geraken. Maar niet dus. Pascal Lamy, de voorganger van Peter Mandelson, liet zich verlammen door de tegenstrijdige druk van voor- en tegenstanders van een opheffing van de quota. Uiteindelijk gebruikte Mandelson in juni de botte bijl, alsof outsourcing van kledingcollecties plotsklaps van het ene naar het andere land mogelijk zou zijn. Hier zit een les in voor ondernemers: wanneer men zaken doet met een land als China, zijn politieke risico's nooit uit te sluiten. Zolang 'CP' (Communistische Partij) weinig compatibel is met 'PC' (internet en vrije meningsuiting) zullen de betrekkingen tussen het Westen en deze opkomende grootmacht kwetsbaar zijn en onderhevig aan grote onzekerheid. Voeg daar de toenemende sociale spanningen in China zelf aan toe en de conclusie luidt dat het niet verstandig is om alle eieren in die ene Chinese mand te leggen. Erik Bruyland