HET BESTE NIEUWS over de Europese verkiezingen was de opkomst. Iets meer dan de helft van de kiesgerechtigde Europeanen vond het nodig uit zijn luie zetel te komen, zodat de opkomst voor het eerst in veertig jaar weer steeg. Europa staat opnieuw voor iets.

Wat dat 'iets' betekent, is minder duidelijk. De christendemocratische en sociaaldemocratische partijen blijven samen de grootste fractie, maar zakken flink in. Populisten als de Italiaan Matteo Salvini en de Hongaar Viktor Orban winnen overtuigend in eigen land, maar een radicaal-rechtse overrompeling zal het niet worden in het Europees Parlement. Marine Le Pen mag dan wel de grootste zijn in Frankrijk, haar aartsrivaal Emmanuel Macron beperkt het verlies, en zorgt mee voor een liberale sprong, samen met de Groenen.

Het verzwakte centrum geeft ruimte aan fragmentering. Allicht wordt het Europees Parlement een stuk theatraler, met een botsing van ideeën tussen de eurosceptische populisten en de liberale en groene pro-Europeanen. Met wat geluk wint daardoor de dagelijkse Europese politiek aan aandacht in de huiskamers. Want allen wanneer het er écht om spant, kijken we om naar de Europese Unie, maar dan meer als een lastpak waarmee we niet goed blijf weten, of willen weten.

Dat blijft de grote paradox. In de huiskamers passeren elke dag beelden over migratiestromen, handelsoorlogen, grensoverschrijdend terrorisme en een opwarmend klimaat. En toch heeft de strijdkreet 'soevereiniteit', het terughalen van besluitvorming uit Brussel, weer aanhang gewonnen. Pro-Europa is niet gestorven, het krijgt zelfs een nieuwe kans, die het nu slim moet gebruiken. Geen retoriek, maar doortastende pragmatiek: in zo'n Europa zullen de strijdkreten snel verstommen.