De invloed van de Europese wetgeving op de nationale fiscale spelregels zit in de lift. Op het gebied van de btw is die invloed er van meet af aan geweest. De btw is dan ook een belasting die op Europees niveau is geconcipieerd. Zij is het product van een aantal Europese richtlijnen waarvan de meeste bepalingen verplicht op te nemen waren in de nationale wetgevingen van de verschillende lidstaten. De btw is daardoor in ruime mate een op Europees vlak geharmoniseerde belasting.
...

De invloed van de Europese wetgeving op de nationale fiscale spelregels zit in de lift. Op het gebied van de btw is die invloed er van meet af aan geweest. De btw is dan ook een belasting die op Europees niveau is geconcipieerd. Zij is het product van een aantal Europese richtlijnen waarvan de meeste bepalingen verplicht op te nemen waren in de nationale wetgevingen van de verschillende lidstaten. De btw is daardoor in ruime mate een op Europees vlak geharmoniseerde belasting. Inkomstenbelasting. Voor de inkomstenbelastingen is er van een harmonisatie nog geen sprake. Op enkele uitzonderingen na zijn de lidstaten vrij om het inkomen van hun onderdanen naar eigen goeddunken en volgens eigen regels te belasten. Maar geleidelijk doen de Europese regels zich ook hier voelen. Dat is (meestal) niet het gevolg van een rechtstreeks ingrijpen van de Europese wetgever, maar wel van een gestage evolutie in de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie, die almaar meer vindt dat ook de nationale fiscale bepalingen op het gebied van de inkomstenbelastingen moeten beantwoorden aan de grote principes van het Europese recht. Tot die principes behoren het vrij verkeer van kapitalen, goederen en diensten. Nationale fiscale regelingen die deze principes op een niet te rechtvaardigen wijze met de voeten treden, worden door het Europese Hof steevast naar de prullenmand verwezen. Dat laatste moet je wel met een korrel zout nemen. Het ligt niet in de bevoegdheid van het Hof om een nationale rechtsregel uit de rechtsorde te doen verdwijnen. Maar het kan een lidstaat wel veroordelen. En het kan in antwoord op een prejudiciële vraag ook verklaren dat een bepaalde regel onverenigbaar is met het Europese recht. Het is dan aan de nationale rechtsinstantie om te oordelen wat er met die regel gebeurt. Normaal gezien zal dat zijn: hem niet langer toepassen. Voorbeelden zijn er stilaan bij de vleet. Goed twee jaar geleden oordeelde het hoge Europese rechtscollege dat onze aanmerkelijkbelangbelasting de toets met de Europese rechtsregels niet kan doorstaan. Dat gebeurde in antwoord op een prejudiciële vraag. Het betreft een belasting op meerwaarden die natuurlijke personen realiseren wanneer zij aandelen die (rechtstreeks of onrechtstreeks) tot een belangrijke participatie (van minstens 25 %) in een binnenlandse vennootschap behoren, overdragen aan een buitenlandse rechtspersoon. Op de meerwaarde is dan 16,5 % personenbelasting verschuldigd. De aanmerkelijkbelangbelasting bestaat vandaag nog steeds. De wetgeving is nog niet aangepast. Maar als gevolg van het arrest wordt deze belasting in de praktijk niet langer toegepast als de overdracht de grenzen van de Europese Economische Ruimte (de Europese Unie plus IJsland, Liechtenstein en Noorwegen) niet overschrijdt. Pensioen. Een ander voorbeeld? De fiscale regels voor extralegale pensioenen. Volgens de Europese Commissie zijn die op heel wat punten strijdig met het communautaire recht. Zij heeft België daarom voor het Europese Hof gedaagd. De kans dat ons land veroordeeld wordt, is zo goed als zeker. De advocaat-generaal heeft al in die zin geconcludeerd, en naar verluidt biedt België nog maar weinig verweer. In plaats daarvan werkt de regering aan een wetsontwerp dat al wil anticiperen op de verwachte veroordeling, en dat de pijnpunten in de Belgische wetgeving moet oplossen. Aannemers. Een ander recent voorbeeld: de aannemersregistratie. Wie voor het uitvoeren van werk in onroerende staat een beroep doet op een niet-geregistreerde aannemer, is in bepaalde mate hoofdelijk aansprakelijk voor de fiscale en parafiscale schulden van de aannemer. Bovendien moet hij een bepaald gedeelte van de verschuldigde prijs inhouden en rechtstreeks doorstorten naar de schatkist en de RSZ. Op die regel bestaat maar één uitzondering. Meer bepaald wanneer een natuurlijk persoon werk in onroerende staat laat uitvoeren voor louter privédoeleinden. In alle andere gevallen gelden de hoofdelijke aansprakelijkheid en de inhoudingsverplichting dus wel. Zij gelden dus ook als je een beroep doet op een buitenlandse, niet in België geregistreerde aannemer. De Europese Commissie was ook hier van oordeel dat de Belgische regeling strijdig is met het Europese recht en daagde België ook op dit punt voor het Europese Hof (althans wat het fiscale luik van de reglementering betreft). Het Europese Hof heeft inmiddels beslist dat de Belgische regeling in hoofde van aannemers uit andere Europese lidstaten strijdig is met het vrij verkeer van diensten zoals dit door de Europese rechtsregels gewaarborgd is. België zal zijn wetgeving dus dringend moeten aanpassen. Normaal zal dit ook gevolgen hebben voor de binnenlandse aannemers. Je kan immers moeilijk voor binnenlandse aannemers een stelsel in stand houden dat niet (langer) op buitenlandse aannemers van toepassing is. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck