Het volk wordt opgejaagd door bange verhalen in de media over het einde van het werk en het verdwijnen van de baan voor het leven. Een ontwikkeling wordt geschetst waarbij de werknemer 's ochtends niet weet of hij 's avonds nog een baan zal hebben. The Economist schreef begin vorig jaar in een artikel over de toekomst van het werk dat " the old social contract between employers and workers is being shredded". Volgens het gezaghebbende Britse blad zou het sociale contract tussen de werkgever en de werknemer door de papierversnipperaar worden gehaald. Wederzijdse loyaliteit bestaat niet meer.
...

Het volk wordt opgejaagd door bange verhalen in de media over het einde van het werk en het verdwijnen van de baan voor het leven. Een ontwikkeling wordt geschetst waarbij de werknemer 's ochtends niet weet of hij 's avonds nog een baan zal hebben. The Economist schreef begin vorig jaar in een artikel over de toekomst van het werk dat " the old social contract between employers and workers is being shredded". Volgens het gezaghebbende Britse blad zou het sociale contract tussen de werkgever en de werknemer door de papierversnipperaar worden gehaald. Wederzijdse loyaliteit bestaat niet meer. De implicatie was dat de meeste, zoniet alle werknemers gedurende hun loopbaan vaak van baan wisselen - soms vrijwillig, soms verplicht - en dat in elk geval de dominantie van de baan voor het leven voorbij was. Negen jaar. Maar dat blijkt helemaal niet uit de cijfers. Of de baan voor het leven tegenwoordig minder vaak voorkomt, kan worden onderzocht door te kijken naar de verandering in de gemiddelde baanduur, naar hoelang een willekeurige werknemer gemiddeld bij dezelfde baas blijft werken, vroeger en nu. Uit recent internationaal onderzoek blijkt dat in de VS en Spanje de gemiddelde baanduur de jongste jaren wat korter wordt, maar dat tegelijk de Duitse, Franse en Japanse werknemers gemiddeld wat langer bij hun baas blijven. Het gaat daarbij om kleine, marginale verschuivingen. Dat is ook duidelijk te zien aan de cijfers voor de Nederlandse arbeidsmarkt. In 1992 waren werknemers gemiddeld 8,4 jaar in dienst bij dezelfde werkgever. Tussen 1992 en 1995 liep het gemiddelde op tot negen jaar en sindsdien is het op dat niveau blijven hangen. Gemiddelde baanduren blijven eerder hetzelfde dan dat ze veranderen. Zo hard gaat het dus niet met het verdwijnen van de baan voor het leven. Let op: die negen jaar is een gemiddelde baanduur. Er zijn genoeg werknemers (vooral jongeren) die maar een half jaar bij een baas werken en dan weer weg zijn. Er zijn tegelijk veel oudere werknemers die, wanneer ze met pensioen gaan, dertig jaar trouw in dezelfde fabriek hebben gewerkt.Er zit veel variatie in de baanduren. Mannen werken gemiddeld langer bij hun werkgever dan vrouwen. Bij vrouwen zitten immers veel herintreedsters. Laagopgeleiden zijn gemiddeld langer in dienst dan hoogopgeleiden. Naarmate de opleiding hoger is, wordt vaker van baan gewisseld tijdens de loopbaan. Ook de conjunctuur heeft een invloed. In de huidige hoogconjunctuur op de arbeidsmarkt wordt vaker van baan gewisseld dan tijdens de hoge werkloosheidsperiode in de eerste helft van de jaren negentig. Ondanks die variatie blijft het gemiddelde toch redelijk stabiel rond de negen jaar hangen.Turbulentie. Maar er is in de samenleving een gevoel dat de arbeidsmarkt flexibeler is dan vroeger. Uit enquêtes onder werknemers waarin wordt gevraagd naar hun belevingen en toekomstverwachtingen, blijkt steeds weer dat sterke gevoel van grote baanonzekerheid en de verwachting dat het allemaal losser en onstandvastiger wordt op de arbeidsmarkt. Voelen die ongeruste werknemers misschien iets, wat nog niet in de cijfers is terug te vinden? We leven in een dynamische economie, gekenmerkt door een turbulent proces van wat de Oostenrijkse econoom Schumpeter ' creatieve destructie' noemde. Onder invloed van technologische veranderingen (nieuwe producten, nieuwe productiemethoden), buitenlandse concurrentie en verschuivingen in de bestedingen van consumenten groeien sommige bedrijven terwijl andere inkrimpen, ontstaan nieuwe bedrijven terwijl bestaande bedrijven verdwijnen. Deze turbulentie gaat gepaard met creatie en destructie van banen. Het proces van baancreatie en -destructie speelt permanent in een dynamische economie. Het is een belangrijk mechanisme voor de toename van de arbeidsproductiviteit. Minder productieve bedrijven verdwijnen terwijl meer productieve bedrijven groeien. Werknemers stromen van laagproductieve naar hoogproductieve bedrijven, waardoor de gemiddelde arbeidsproductiviteit toeneemt. Als vuistregel kan men stellen dat in een jaar circa 10% van de banen nieuw gecreëerde banen zijn vergeleken met het jaar daarvoor en dat 10% van de bestaande banen in het afgelopen jaar werd vernietigd.Het lijkt wel of de turbulentie in de moderne economie is toegenomen: de onderlinge concurrentie wordt heftiger, de consument wordt wisselvalliger en de technologische innovaties volgen elkaar sneller op. Daardoor zou het tempo van baancreatie en -destructie hoger worden. Het is niet onmogelijk dat daarom banen in de toekomst gemiddeld korter worden. Maar op dit moment is het nog lang niet zover, of in elk geval: we zien het nog niet in de cijfers.Er zijn blijkbaar nog altijd genoeg vaste banen voor het leven. Helemaal verdwijnen zullen ze trouwens nooit, zelfs niet in een zeer turbulente economie. Net zo min als alle huwelijken in de toekomst op een scheiding zullen uitdraaien. Ook in arbeidsrelaties heeft wederzijdse trouw en loyaliteit zo zijn voordelen.De auteur is directeur van de Stichting voor Economisch Onderzoek (SEO), Universiteit van Amsterdam.Jules Theeuwes