"De beurs is er niet voor u", stelde professor Roland Van der Elst - de man die zijn volk leerde beleggen - ooit krachtig. Met die 'u' bedoelde hij de particuliere belegger. Juister is te zeggen: de beurs is er niet in de eerste plaats voor u. Bedrijven beslissen wanneer ze naar de beurs trekken. En we moeten daar niet flauw over doen: ze doen dat zelden of nooit op de bodem van de markt en op een heel aantrekkelijk moment voor de kandidaat-investeerders. Beursintroducties gebeuren vooral wanneer de beurzen al fors zijn gestegen en naar een top evolueren, zodat de verkopers een mooie prijs kunnen bedingen. Uit alle studies blijkt dat het voor het rendement van een aandelenportefeuille geen geweldig goed idee is lukraak op alle beursintroducties in te tekenen. De meeste nieuwkomers staan drie jaar later nog altijd onder hun introductieprijs.
...

"De beurs is er niet voor u", stelde professor Roland Van der Elst - de man die zijn volk leerde beleggen - ooit krachtig. Met die 'u' bedoelde hij de particuliere belegger. Juister is te zeggen: de beurs is er niet in de eerste plaats voor u. Bedrijven beslissen wanneer ze naar de beurs trekken. En we moeten daar niet flauw over doen: ze doen dat zelden of nooit op de bodem van de markt en op een heel aantrekkelijk moment voor de kandidaat-investeerders. Beursintroducties gebeuren vooral wanneer de beurzen al fors zijn gestegen en naar een top evolueren, zodat de verkopers een mooie prijs kunnen bedingen. Uit alle studies blijkt dat het voor het rendement van een aandelenportefeuille geen geweldig goed idee is lukraak op alle beursintroducties in te tekenen. De meeste nieuwkomers staan drie jaar later nog altijd onder hun introductieprijs. Beursgenoteerde bedrijven beslissen ook zelf wanneer ze hun aandeel weer van de beurs willen halen. Als ze dat van plan zijn, redeneren ze natuurlijk omgekeerd: ze moeten dan geld op tafel leggen om hun particuliere en institutionele investeerders uit te kopen. Het liefst betalen ze zo weinig mogelijk. Een beursuitstap (of delisting in het jargon) gebeurt bijgevolg het vaakst op een moment dat de aandelenmarkten een tussentijdse dip doormaken, ofwel op een moment dat het bedrijf een pauze in zijn groei beleeft. Het management kan het potentieel voor de volgende jaren het beste inschatten en weten wanneer de onderneming wel of niet onder zijn echte waarde noteert. De argumenten om beursgenoteerd te blijven, zijn de voorbije jaren zwakker geworden voor ondernemingen. Sinds de bankencrisis hebben de aanzienlijke geldinjecties van de centrale banken de rente fors doen dalen. Bedrijven kunnen hun groeiplannen vandaag goedkoop financieren via de obligatiemarkten en de banken, zonder een kapitaalverhoging op de beurs.Aan een beursnotering hangen aan ook kosten en verplichtingen vast. De meeste vervelende voor veel bedrijfsleiders zijn de transparantieregels en de verplichting om minstens twee keer per jaar, en liefst vier keer, inzicht te geven in de financiële gang van zaken. In moeilijke tijden is dat geen gemakkelijke klus. De voorbije jaren zijn verscheidene bedrijven van de beurs gegaan, en in enkele gevallen hebben de beleggers daar hun broek aan gescheurd. Zo verdween het aandeel van Duvel Moortgat begin 2013 na ruim dertien jaar van de beurstabellen. De aandeelhouders hadden niet te klagen over het parcours van het bedrijf. Maar in de jaren na de delisting ging het pas echt hard voor Duvel Moortgat. Vijf jaar later was de winst verdubbeld. Dat liet een wrange nasmaak bij heel wat particuliere ex-aandeelhouders. In de nasleep van de eurocrisis gingen onder meer ook VPK Packaging en Omega Pharma van de beurs. Enkele jaren later bleek ook VPK fors te zijn gegroeid en te profiteren van de opkomende e-commerce. Omega Pharma werd enkele jaren geleden voor een veelvoud van de prijs verkocht aan het Amerikaanse Perrigo. Ook dat veroorzaakte tandengeknars bij de vroegere aandeelhouders. Een particuliere aandeelhouder moet dus heel goed de voorwaarden van een uitkoopbod bestuderen. Want terwijl de zeggenschap van de privé-belegger bij een beursgang nihil is, is dat niet het geval bij een uitstap. Collectief kunnen particuliere beleggers zo'n operatie verhinderen. De regels bepalen dat de referentieaandeelhouder 95 procent van de aandelen in handen moet krijgen om een uitrookbod te kunnen uitbrengen en aan de beurswaakhond FSMA te vragen het aandeel van de beurstabellen te schrappen. Een particuliere aandeelhouder is dus niet verplicht meteen op een uitkoopbod in te gaan. Wie de biedprijs te laag vindt, kan het bod simpelweg afwijzen. Kijk maar naar het voorbeeld van Spadel vijf jaar geleden. In september 2015 kwam er een bod van 95 euro per aandeel om het bedrijf van de beurs te halen. De minderheidsaandeelhouders, onder aanvoering van André de Barsy, hielden het been stijf. In 2018 - of minder dan drie jaar later - noteerde het aandeel 250 euro. Die kritische houding mag ook gelden voor de intentie van de familie Sioen om het eigen aandeel van de beurs te halen. De familiale holding Sihold overweegt 23 euro per aandeel te betalen - natuurlijk alleen als die holding er dan in slaagt haar huidige belang van 65 procent op te trekken naar minstens 95 procent. Het zal de familie zo'n 160 miljoen euro kosten om het aandeel van de beurstabellen te halen. Daarvoor moet ze wel nog de financiering vinden.We moeten nog in voorwaardelijke wijs spreken, maar de delisting van Sioen zou een gemis zijn voor het al vrij schrale aanbod op Euronext Brussel. De West-Vlaamse onderneming, die gespecialiseerd is in technisch textiel, is een van de weinige industriële parels op de Brusselse beurs, met een uniek profiel. De voorbije jaren heeft Sioen heel wat overnames gedaan die de groep hebben gediversifieerd en meer georiënteerd richting vrijetijdsbesteding (zoals zeilen en duiken). Daar moet het na de coronacrisis de vruchten van kunnen plukken. Bovendien zijn er de sterke balans en de unieke marktpositie van het bedrijf, met een verticale integratie, die ook in crisistijden stevige marges mogelijk maakt.Als er effectief een bod van 23 euro per aandeel komt, is dat misschien een fair bod in het jaar dat covid-19 een diepe economische crisis veroorzaakt. Maar in het perspectief van de economische cyclus vinden we het aan de lage kant. Opportunisme is geen misdaad. Maar het staat de aandeelhouder ook vrij niet op het bod in te gaan.