Dit is het laatste artikel in een reeks over de Amerikaanse verkiezingen. De reeks kwam tot stand met steun van het Fonds Pascal Decroos voor bijzondere journalistiek.
...

Dit is het laatste artikel in een reeks over de Amerikaanse verkiezingen. De reeks kwam tot stand met steun van het Fonds Pascal Decroos voor bijzondere journalistiek. Toen Veerle Picard in 2004 haar huis in Sarasota, Florida kocht, brak een tijd van genieten aan voor de in Vlaanderen geboren vrouw. Ze had een vrijstaand huis met drie slaapkamers, een ruime living en een buitenzwembad helemaal voor haar alleen. Acht jaar later woont Picard nog altijd in hetzelfde ruime huis, maar het is wel behoorlijk vol geworden. Ze is intussen getrouwd en heeft twee jonge dochters, terwijl ook de twee zonen van haar man uit een vorig huwelijk inwonen bij het Vlaams-Amerikaanse koppel. Picard zou graag naar iets groters verhuizen, maar door de aanslepende vastgoedcrisis is haar woning nog altijd minder waard dan acht jaar geleden. En dus wacht ze liever nog wat. Picard is verre van de enige huis- eigenaar in Amerika die de kat uit de boom kijkt. Tientallen miljoenen Amerikanen wachten nog altijd op een fundamentele doorbraak in de huizenmarkt. Maar dat lijkt hoe langer hoe meer wachten op Godot. Hoewel de prijzen van vastgoed stijgen, blijven ze ruim 30 procent onder het topniveau van 2006. Bovendien blijft het aantal verhandelde huizen met een verwachte 4,75 miljoen ruim onder het volume van de topjaren, toen altijd meer dan 6 miljoen huizen van de hand gingen. De vastgoedcrisis in de VS is nog lang niet voorbij. Gezien de omvang en de impact van de aanslepende problemen in de vastgoedmarkt zou je verwachten dat huisvesting een cruciaal agendapunt is in de Amerikaanse verkiezingen. Niets is minder waar. President Barack Obama vermeldt huisvesting zelfs niet bij zijn twaalf kernprogrammapunten. Zijn Republikeinse uitdager Mitt Romney doet amper beter: in plaats van frontaal in de aanval te gaan, houdt hij zijn programma over huisvesting vaag en op de achtergrond. Waarom toch? "De vastgoedcrisis is politiek gif", zegt Susan Wachter, vastgoedexpert en professor aan de Wharton School of Business. "Zowel Democraten als Republikeinen hebben zich er al de vingers aan gebrand. Geen van beide kandidaten heeft er dus baat bij het thema op de voorgrond te plaatsen. Bovendien gelooft de man in de straat dat de echte problemen de jobmarkt en de economische groei zijn." Vooral Mitt Romney moet vrezen voor een besmetting door het vastgoedthema. Onder zijn partijgenoot George Bush zette de overheid agressief in op huisbezit als de ultieme 'American Dream'. Die politiek dreef de prijzen omhoog en zette de bankiers ertoe aan onverantwoorde leningen toe te staan. Romneys recept is dan ook simpel: laat mij de economie weer aanzwengelen, en dan komt het vanzelf weer goed met de huizenmarkt. Maar alle problemen in de huizenmarkt terugbrengen tot de economische groei is te kort door de bocht. In de realiteit lijden vele Amerikaanse gezinnen meer onder de vastgoedcrisis dan onder een gebrek aan economische groei. Ongeveer 16 miljoen Amerikaanse gezinnen zitten sinds de crisis zonder huis of kunnen niet verhuizen. Een kleine 4 miljoen gezinnen verloren gedurende de crisis hun huis door het imploderen van de vastgoedmarkt. Nog eens 12 miljoen kwamen met hun lening 'onder water' te staan: de geschatte waarde van hun huis werd kleiner dan hun uitstaande kredietbedrag, waardoor ze het onmogelijk kunnen verkopen. Die patstelling, gecombineerd met een slabakkende economische groei, maakt dat miljoenen gezinnen nog altijd in dezelfde precaire toestand zitten als vier jaar geleden. Ze kunnen niet verhuizen om elders werk te zoeken, en ze geven minder geld uit. Voor hen is een woningbeleid belangrijker dan louter economische groei. De ironie wil dat beide presidentskandidaten maar al te goed weten met welke politiek ze dit kiezerspubliek kunnen paaien. Ze hoeven alleen maar te beloven dat de banken weer meer leningen kunnen toekennen, en dat ze onderwaterleningen zullen herfinancieren tegen de historisch lage intrestvoeten. Dat zou veel mensen aan een nieuw huis helpen, hun financiële ademruimte geven en hen weer op een normaal economisch traject brengen. Beide kandidaten hebben zich dan ook achter dit principe geschaard. Maar president Obama spreekt er al meer dan een half jaar niet meer over in verkiezingsmeetings, terwijl Mitt Romney niet meer zegt dan dat hij "slimmere reguleringen zal introduceren om het vertrouwen in de markt te herstellen en ervoor zorgen dat banken leningen aan kredietwaardige leners heropstarten". Er zijn twee redenen waarom beide heren zo zwijgzaam zijn. Ten eerste willen Romney en Obama de grootbanken niet tegen zich in het harnas jagen. Het herfinancieren van de 12 miljoen onderwaterleningen zou een goede zaak zijn voor de getroffen gezinnen, maar zou de banken met een intrest- of kapitaalverlies opzadelen. Vanuit dat standpunt gezien valt er voor de kandidaten meer te verliezen dan te winnen bij het voorbarig aankondigen van nieuwe regels over banken. "De kandidaten willen de banken niet schofferen", zei Nobelprijswinnaar Robert Stig-litz vorige week aan de nieuwswebsite MSN Money. En daar hebben ze goede redenen voor. Bank of America en Goldman Sachs bijvoorbeeld, spendeerden samen al bijna 8 miljoen dollar aan de verkiezingscampagnes. Waarom zouden Obama en Romney zulke donoren kwaad willen maken, terwijl ze fundamenteel beiden hetzelfde denken? Ten tweede is het opdrogen van de woningkredietmarkt voor een groot deel de verantwoordelijkheid van de overheid zelf. Ze maakte tot nu nooit duidelijk of banken in de toekomst nog hypotheekleningen kunnen verpakken en doorverkopen. Dat kon vóór de vastgoedcrisis wel. Banken verkochten toen hun hypotheekleningen door aan de overheids-vehikels Fannie Mae en Freddie Mac. Hun taak bestond erin individuele leningen te bundelen, verpakken en verkopen op de markt, de zogenoemde ' mortgage backed securities'. Banken konden zo de leningen van hun balans halen en weer nieuwe leningen uitschrijven. Vandaag zijn Fannie en Freddie zogoed als lam. De vastgoedimplosie bracht beide instanties in zware financiële problemen. Vele slechte leningen kwamen opnieuw bij hen terecht, waarop de overheid de bedrijven moest nationaliseren, aangezien Fannie en Freddie hun verplichtingen niet meer konden nakomen. De schoonmaak van de portfolio van Fannie en Freddie is de echte uitdaging van de overheid in de komende maanden, en het wordt een moeilijke. Volgens professor Susan Wachter moet de overheid ervoor zorgen dat de banken voldoende vertrouwen hebben om weer te beginnen lenen, zodat klanten weer geld hebben om te kopen, en de huizenmarkt weer kan beginnen te groeien. En dus moet het weer mogelijk worden om tegen een lage rente te lenen, en om leningen te verpakken en door te verkopen. Dan zal het vertrouwen snel terugkeren, zegt ze. Maar voor het zover is, zullen de verkiezingen al lang voorbij zijn. PETER VANHAM IN DE VERENIGDE STATENDe schoonmaak van de portfolio van Fannie en Freddie is de echte uitdaging van de overheid in de komende maanden.