Sinds een kleine twintig jaar zijn vennootschappen jaarlijks een zogenaamde vennootschapsbijdrage verschuldigd. De opbrengst komt ten goede aan het stelsel van de sociale zekerheid van zelfstandigen. Ogenschijnlijk gaat het dus om een socialezekerheidsbijdrage. Maar schijn bedriegt. Enkele weken geleden heeft het Grondwettelijk Hof de vennootschapsbijdrage als een ordinaire belasting ontmaskerd.
...

Sinds een kleine twintig jaar zijn vennootschappen jaarlijks een zogenaamde vennootschapsbijdrage verschuldigd. De opbrengst komt ten goede aan het stelsel van de sociale zekerheid van zelfstandigen. Ogenschijnlijk gaat het dus om een socialezekerheidsbijdrage. Maar schijn bedriegt. Enkele weken geleden heeft het Grondwettelijk Hof de vennootschapsbijdrage als een ordinaire belasting ontmaskerd. Die ontmaskering komt er nadat de Raad van State het Grondwettelijk Hof had ondervraagd over de overeenstemming van de vennootschapsbijdrage met een aantal grondwettelijke principes. De vennootschapsbijdrage dateert van de eerste helft van de jaren negentig. Zij werd uitgevonden om het stelsel van de sociale zekerheid van zelfstandigen financieel te ondersteunen. Aanvankelijk ging het om een eenmalige bijdrage. Maar die werd al gauw omgedoopt tot een jaarlijks weerkerende bijdrage. Vandaag bestaat ze nog steeds. In de beginjaren stond het tarief van de vennootschapsbijdrage gewoon in de wet te lezen. Een zestal jaar geleden vatte de regering het plan op een onderscheid te maken tussen kleine en grote vennootschappen. Grote vennootschappen moesten voortaan een hogere bijdrage betalen. Wat de wetgever toen heeft bezield, is niet meteen duidelijk. Maar in plaats van het toepasselijke tarief ook gewoon weer in de wet zelf in te schrijven, beperkte de wetgever er zich toe het maximumtarief te vermelden. Voor het overige liet hij het aan de Koning over om het exacte tarief vast te stellen en om hierbij een onderscheid te maken tussen kleine en grote vennootschappen. Zo moesten kleine vennootschappen vorig jaar een bijdrage van 347,50 euro betalen en grote vennootschappen een bijdrage van 852,50 euro. Een vennootschap wordt in dit verband als 'groot' aangemerkt als haar balanstotaal hoger is dan 588.005,65 euro. Dat de Koning op die manier belast werd met het concreet vaststellen van de vennootschapsbijdrage, was niet naar de zin van onder meer enkele grote middenstandsorganisaties. Zij dienden bij de Raad van State een verzoek in om het betreffende koninklijk besluit (van 2004) nietig te laten verklaren. Maar alvorens daarover ten gronde uitspraak te doen, wendde de Raad van State zich tot het Grondwettelijk Hof, onder meer met de vraag of het niet strijdig is met de grondwet dat de Koning belast wordt met het concreet vaststellen van het tarief van de vennootschapsbijdrage. Het Grondwettelijk Hof onderzocht daarom om te beginnen wat de ware aard van de vennootschapsbijdrage is, en komt tot de slotsom dat het om een gewone belasting gaat. Daaruit volgt dat de essentiële kenmerken van de vennootschapsbijdrage door de wetgever zelf moeten worden vastgesteld. Belastingen kunnen volgens de grondwet immers enkel door de wetgever worden ingevoerd. In het geval van de vennootschapsbijdrage ziet het Grondwettelijk Hof nochtans geen grote problemen. De wetgever heeft immers zelf het maximumtarief vastgelegd. De Koning is enkel bevoegd om het tarief in concreto te bepalen, afhankelijk van de omvang van de vennootschap. Dat de vennootschapsbijdrage als een verkapte belasting ontmaskerd is, heeft vooral een principiële waarde. Voor de praktijk zijn er op het eerste gezicht geen gevolgen. Om te beginnen, lijkt het weinig waarschijnlijk dat de Raad van State er een reden in zou zien om het koninklijk besluit van 2004 te vernietigen. Het voortbestaan van de vennootschapsbijdrage komt heel waarschijnlijk niet in het gedrang. Ook de fiscale aftrekbaarheid van de vennootschapsbijdrage zal er niet onder lijden. De wetgever heeft van in het begin zelf bevestigd, dat de betaalde bijdrage fiscaal aftrekbaar is. Dat de vennootschapsbijdrage nu als een belasting ontmaskerd is, verandert daar niets aan. Belastingen zijn immers niet per definitie uitgesloten uit de fiscaal aftrekbare beroepskosten. De belastingen die niet voor aftrek in aanmerking komen (zoals de vennootschapsbelasting, enzovoort) zijn limitatief opgesomd in het wetboek van de inkomstenbelastingen. De vennootschapsbijdrage komt in die opsomming niet voor. Zij blijft dus fiscaal aftrekbaar. JAN VAN DYCKDe vennootschapsbijdrage blijft als beroepskost aftrekbaar.