Als de regering ingaat op de voorstellen van de Hoge Raad voor Financiën staan we nog verder van huis dan nu. Dat is - bondig samengevat - de reactie van het bedrijfsleven op de geplande hervorming van de vennootschapsbelasting (zie blz. 14).
...

Als de regering ingaat op de voorstellen van de Hoge Raad voor Financiën staan we nog verder van huis dan nu. Dat is - bondig samengevat - de reactie van het bedrijfsleven op de geplande hervorming van de vennootschapsbelasting (zie blz. 14). Wat begon als een sprookje - premier Guy Verhofstadt (VLD) kondigde vorig jaar een tariefverlaging van 39% naar 30% aan - dreigt te eindigen in een nachtmerrie voor de ondernemingen. De regering blijft immers zweren bij een vestzak-broekzakoperatie. Dat betekent dat een verlaging van de vennootschapsbelasting alleen maar mogelijk is als er tegelijk een substantiële verhoging komt van de belastbare basis. Op zich geen probleem, op voorwaarde dat de maatregelen rekening houden met de economische werkelijkheid. Als we de scenario's van de Hoge Raad voor Financiën nauwkeurig analyseren, blijkt dat hier precies het schoentje wringt. Ten eerste: de afschaffing van de versnelde afschrijvingen. Vandaag passen veel bedrijven deze techniek toe om het risico van hun investeringen in ons land tot een minimum te beperken. De markt verandert immers zo snel dat producten of machines die op dit ogenblik nog het neusje van de zalm zijn, morgen alweer achterhaald zijn. Op dit vlak mist de Hoge Raad voor Financiën elke zin voor realiteit. Als buitenlandse groepen een vestigingsplaats uitkiezen, laten ze zich niet leiden door het nominale tarief, wel door de return on investment over tien à vijftien jaar. Bij deze berekening spelen de versnelde afschrijvingen een cruciale rol. Ten tweede zal ook de idee om een belasting van 5% op de gerealiseerde meerwaarde van aandelen in te voeren, onze concurrentiepositie gevoelig doen dalen. Er zijn maar weinig landen binnen de Europese Unie die zo'n heffing toepassen. En als die heffing al bestaat, hebben de autoriteiten altijd de mogelijkheid voorzien om de eventuele minwaarde af te trekken, zodat er een rechtvaardig evenwicht ontstaat. In die zin is een aanpassing van het DBI-systeem (definitief belaste inkomsten) wél te verantwoorden. Door gebrek aan controle trekken gewiekste bedrijven vandaag 95% van hun buitenlandse dividenden af, hoewel ze uit fiscale paradijzen afkomstig zijn. Dit druist in tegen het basisprincipe van de regel: het vermijden van dubbele belastingen. Ook voor de afschaffing van het verminderd KMO-tarief en de gunstregimes, zoals de coördinatie- en distributiecentra, valt theoretisch iets te zeggen. Maar laten we niet heiliger zijn dan de paus: ook andere landen beschikken over gelijkaardige incentives. Bovendien doktert de Europese Commissie een uniforme oplossing voor dit probleem uit. Kortom, het rapport van de Hoge Raad van Financiën is een vergiftigd geschenk. De voorstellen beantwoorden niet aan het vooropgestelde doel: een verlaging van de fiscale druk op de ondernemingen. Dat kan ook niet als de regering te allen prijze wil vasthouden aan een budgettaire nuloperatie. Het zou dan ook beter zijn om voorlopig niéts te doen en tijdens de huidige hoogconjunctuur wat geld opzij te leggen. Misschien kan er dan over enkele jaren een échte belastingverlaging worden doorgevoerd.