Een van de voorwaarden om fiscaal als persoon ten laste te worden beschouwd, houdt in dat men niet meer dan een bepaald bedrag aan nettobestaansmiddelen mag hebben. Het plafond is afhankelijk van de personen over wie het gaat. Voor gehandicapte kinderen die ten laste zijn van een alleenstaande, ligt het op 3000 euro. Voor niet-gehandicapte kinderen die ten laste zijn van een alleenstaande, bedroeg het plafond tot voor kort 2250 euro; maar dat bedrag is door de recente wet tot hervorming van de personenbelasting met ingang van het aanslagjaar 2002 opgetrokken naar 2600 euro. Voor alle andere kinderen en andere personen ten laste ligt de grens op 1500 euro.
...

Een van de voorwaarden om fiscaal als persoon ten laste te worden beschouwd, houdt in dat men niet meer dan een bepaald bedrag aan nettobestaansmiddelen mag hebben. Het plafond is afhankelijk van de personen over wie het gaat. Voor gehandicapte kinderen die ten laste zijn van een alleenstaande, ligt het op 3000 euro. Voor niet-gehandicapte kinderen die ten laste zijn van een alleenstaande, bedroeg het plafond tot voor kort 2250 euro; maar dat bedrag is door de recente wet tot hervorming van de personenbelasting met ingang van het aanslagjaar 2002 opgetrokken naar 2600 euro. Voor alle andere kinderen en andere personen ten laste ligt de grens op 1500 euro. De wet tot hervorming van de personenbelasting heeft daaraan toegevoegd dat onderhoudsgeld dat aan kinderen wordt toegekend, met ingang van het aanslagjaar 2002 (inkomsten van 2001) niet als een bestaansmiddel in aanmerking genomen moet worden tot 1800 euro per jaar. De volgende vraag luidt dan hoe dit allemaal juist berekend moet worden. De vermelde bedragen zijn immers allemaal basisbedragen die nog aangepast moeten worden aan de evolutie van het indexcijfer. Alle bedragen die in de sfeer van de personenbelasting van toepassing zijn, worden in principe jaarlijks aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen. De manier van indexeren is echter niet voor alle bedragen dezelfde. U herinnert zich vast dat de indexering in het voorbije decennium gedurende verschillende jaren bevroren is geweest. Maar die bevriezing is niet voor alle bedragen van toepassing geweest. Voor sommige bedragen is de indexering gewoon blijven doorlopen. Dat is onder meer het geval voor de limieten inzake toegelaten bestaansmiddelen voor personen ten laste. De bevriezing heeft daarentegen volop gespeeld voor bijvoorbeeld de schalen van de personenbelasting.De automatische indexering is inmiddels voor alle bedragen hernomen. Maar dat is op zo'n manier gebeurd, dat het effect van de tijdelijke bevriezing nog altijd voelbaar is.Het een en ander heeft tot gevolg dat er in de personenbelasting twee verschillende indexeringscoëfficiënten van toepassing zijn: een eerste voor de bedragen die doorlopend geïndexeerd zijn geweest, en een tweede en lagere coëfficiënt voor de bedragen waarvan de indexering tijdelijk wel bevroren was.Voor de volledigheid vermelden we dat er eigenlijk geen twee maar drie indexeringscoëfficiënten van toepassing zijn. Want ten aanzien van het kadastraal inkomen en de zogenaamde woningaftrek wordt met een afzonderlijk indexeringsmechanisme gewerkt; maar dat laten we hier buiten beschouwing. Voor het aanslagjaar 2002 bedraagt de eerste indexeringscoëfficiënt (zonder bevriezing) 1,3057, en de tweede (met bevriezing) 1,1513. De eerste coëfficiënt is onder meer van toepassing op de grenzen van de toegelaten bestaansmiddelen. De voormelde algemene grens van 1500 euro bedraagt zo voor het aanslagjaar 2002 _ na indexering (tegen 1,3057) en afronding _ 1960 euro.Ter vergelijking: de grens van het fiscaal in rekening brengen van individuele levensverzekeringspremies en aflossingen van hypothecaire leningen bedraagt ook 1500 euro. Maar na indexering en afronding komt dit bedrag voor hetzelfde aanslagjaar slechts uit op 1730 euro. Het gaat hier immers om een bedrag waarvoor de indexering wél tijdelijk bevroren is geweest, en dat dus nu voor het aanslagjaar 2002 maar tegen de lagere indexeringscoëfficiënt van 1,1513 wordt geïndexeerd.Terug naar de grenzen inzake toegelaten bestaansmiddelen. Die worden dus geïndexeerd tegen de hogere indexeringscoëfficiënt (zonder bevriezing). Logischerwijze zou men bijgevolg kunnen aannemen dat dezelfde hogere coëfficiënt ook van toepassing zou zijn op het bedrag aan onderhoudsgeld dat in hoofde van kinderen niet meer als een bestaansmiddel in aanmerking genomen moet worden (1800 euro). In die veronderstelling zou dit bedrag voor het aanslagjaar 2002 na indexering en afronding op 2350 euro uitkomen.Maar de wetgever heeft één detail over het hoofd gezien. Hij is vergeten het wetsartikel aan te passen waarin de bedragen gepreciseerd worden die onder de hogere indexeringscoëfficiënt vallen. Als men de tekst van de wet letterlijk neemt, is de hogere indexeringscoëfficiënt bijgevolg (nog) niet van toepassing op het bedrag van 1800 euro. Met als verrassend en onlogisch gevolg, dat men bij het berekenen van de toegelaten bestaansmiddelen enerzijds rekening moet houden met de hogere coëfficiënt (zonder bevriezing) wat de grenzen van de toegelaten bestaansmiddelen betreft, maar anderzijds ook rekening moet houden met de lagere coëfficiënt (met bevriezing) om het bedrag van het onderhoudsgeld te kennen dat in hoofde van kinderen niet als een bestaansmiddel in aanmerking genomen moet worden. Dat bedrag zou op die manier voor het aanslagjaar 2002 niet uitkomen op 2350 euro, maar wel op 2070 euro, of een verschil van 280 euro of meer dan 10.000 frank. Of de wetgever zo'n onlogisch resultaat heeft willen bereiken, valt sterk te betwijfelen. Zoals gezegd gaat het hoogst waarschijnlijk om een vergetelheid, maar dan wel één met verstrekkende gevolgen. We kunnen daarom alleen hopen dat de zaak zo vlug mogelijk wordt rechtgezet.Jan Van DyckDe auteur is advocaat bij Dauginet & co. en hoofdredacteur van Fiscoloog.Voor sommige bedragen, zoals de toegelaten bestaansmiddelen voor personen ten laste, is de indexering nooit bevroren geweest.