De Duitse spaarders zijn de klos. Sinds de start van de Europese schuldencrisis hebben ze honderden miljarden euro's uit Spanje en Italië gerepatrieerd en op een spaarboekje bij Duitse banken gedumpt. Veel kunnen of willen de banken met dat geld niet aanvangen. De crisis heeft de Duitse appetijt voor effecten uit andere eurolanden doen verdampen. Beleggingen in andere munten zijn geen optie, omdat Duitse banken geen wisselkoersrisico mogen nemen. Blijft over: het geld parkeren bij de Europese Centrale Bank (ECB). In ruil krijgen de banken, en indirect de Duitse spaarder, een rente van nul procent. Zo kan de inflatie het Duitse spaargeld wegvreten. Zijn de Duitse spaarders...

De Duitse spaarders zijn de klos. Sinds de start van de Europese schuldencrisis hebben ze honderden miljarden euro's uit Spanje en Italië gerepatrieerd en op een spaarboekje bij Duitse banken gedumpt. Veel kunnen of willen de banken met dat geld niet aanvangen. De crisis heeft de Duitse appetijt voor effecten uit andere eurolanden doen verdampen. Beleggingen in andere munten zijn geen optie, omdat Duitse banken geen wisselkoersrisico mogen nemen. Blijft over: het geld parkeren bij de Europese Centrale Bank (ECB). In ruil krijgen de banken, en indirect de Duitse spaarder, een rente van nul procent. Zo kan de inflatie het Duitse spaargeld wegvreten. Zijn de Duitse spaarders verlost van de Zuid-Europese miserie, dan zijn ze in eigen land niet beter af. Aan het verhaal zit ook een ironische kant. Door de kapitaalvlucht van vooral Duitse beleggers uit Zuid-Europa dreigde een implosie van het financiële systeem. Om dat te voorkomen moest de ECB massaal geld pompen in de mediterrane banken. Op die manier is het geld van Duitsland opnieuw belegd in Zuid-Europa. Dat de ECB spaaroverschotten overhevelt naar landen met spaartekorten, is geen slechte zaak. Als de privésector het laat afweten, moet de overheid het doen. De vraag is of je niet efficiënter kan omgaan met die spaaroverschotten, opperen Daniel Gros en Thomas Mayer in een paper. De eerste is directeur van de denktank Centre for European Policy Studies, de tweede adviseur van Deutsche Bank. Het versassen van het spaargeld vertaalt zich technisch in een vordering van de Duitse centrale bank op de ECB. Dat is een gevaarlijke concentratie van het beleggingsrisico, aldus Gros en Mayer. De dekking van die vorderingen bestaat uit effecten van Zuid-Europese banken. Die effecten dienen als onderpand voor kredieten van de ECB, en zijn grotendeels van dubieuze kwaliteit. Voor dat risico krijgen de Duitse banken, en dus de Duitse spaarders, geen adequate vergoeding, gezien de nulrente. Betere beleggingen kan de ECB als centrale bank niet bieden. Die nadelen kan je volgens Gros en Mayer opvangen met een staatsinvesteringsfonds, naar het model van Noorwegen of Saoedi-Arabië. Het fonds zou een deel van het Duitse spaaroverschot beleggen in een breed gespreide portfolio, zowel geografisch als sectorieel. Dat maakt een gegarandeerd rendement boven op de inflatie mogelijk voor de Duitse spaarder. Het fonds zal een groot deel van zijn geld buiten de eurozone beleggen, waardoor de euro zal depreciëren. Dat helpt de probleemlanden om meer te exporteren en zo hun spaartekorten te dichten. De onevenwichten in het eurosysteem zullen geleidelijk verdwijnen. Gros en Mayer zien het fonds in tien jaar uitgroeien tot 800 miljard euro, goed voor 30 procent van het Duitse bbp. Een voorspelling voor het rendement geven ze niet. Ze verwijzen naar het Noorse staatsfonds, dat de olie- en gasopbrengsten belegt om de pensioenenuitgaven te dekken. Tussen 1997 en 2011 haalde het fonds een reëel rendement van 2,7 procent per jaar. Dat is een respectabele prestatie volgens Gros en Mayer, gezien de moeilijke markten in die periode. Een verwerking van het Duitse spaaroverschot door de vrije markt is nog altijd ideaal, maar dat zien de auteurs niet gauw gebeuren. Het krakkemikkige alternatief via de ECB zal alleen maar de politieke spanningen aanvuren. Dan nog beter een staatsfonds, maar zonder de interne spanningen. JOZEF VANGELDER