De onderhandelaars van het interprofessioneel akkoord waren nog maar net wakker na de marathononderhandeling van maandagnacht, of de grootste werkgeversfederatie, Agoria, floot ze terug. De loonnorm van het bereikte akkoord ligt te hoog en de flexibiliteit te laag. Agoria wou niet meer geven dan de indexering (3,3 %). Het werd 4,5 %. Het wou eventueel wel afwijken van die 3,3 % als de flexibiliteit in ruil voldoende zou zijn. De overuren werden wel verruimd, maar ze blijven nog te veel onder vakbondscontrole.
...

De onderhandelaars van het interprofessioneel akkoord waren nog maar net wakker na de marathononderhandeling van maandagnacht, of de grootste werkgeversfederatie, Agoria, floot ze terug. De loonnorm van het bereikte akkoord ligt te hoog en de flexibiliteit te laag. Agoria wou niet meer geven dan de indexering (3,3 %). Het werd 4,5 %. Het wou eventueel wel afwijken van die 3,3 % als de flexibiliteit in ruil voldoende zou zijn. De overuren werden wel verruimd, maar ze blijven nog te veel onder vakbondscontrole. In essentie heeft Agoria gelijk. Uit een recente studie van VKW Denktank blijkt dat België nog steeds een grote loonkloof met de buurlanden kent (zie blz. 20). Als we rekening houden met de productiviteitsstijging, blijft de loonkost met dit akkoord per eenheid product stijgen met 1 %. Een akkoord van 3,3 % zou wel gezorgd hebben voor een trendbreuk. Ook op het vlak van flexibiliteit heeft Agoria gelijk. België heeft een starre arbeidsmarkt, hoewel ons land over heel wat flexibiliteit beschikt. Maar de mogelijkheden worden niet benut omdat de vakbond de sleutel in handen heeft. En dus heeft het geen zin om meer flexibiliteit af te spreken als je de sleutel in dezelfde handen laat. Toch zou het jammer zijn als het centrale akkoord niet wordt goedgekeurd. Want hoewel de redenering van Agoria terecht is, zijn er ook andere overwegingen. De grootste uitdaging van dit moment is het optrekken van de participatiegraad. Er moeten meer mensen aan het werk. Daarvoor is uiteraard een zo bescheiden mogelijke loonontwikkeling belangrijk, maar ook oplossingen voor het probleem van het loopbaaneinde. En wat zijn de kansen daarvan als het sociaal akkoord niet door het VBO aanvaard wordt? Nihil, mag gevreesd worden. Verder blijkt uit onderzoek van econoom Freddy Heylen (Universiteit Gent) dat werkgelegenheid vooral welvaart bij óf centraal overleg, óf decentraal overleg. Landen waar sectoraal overleg de hoofdmoot uitmaakt, zoals België, presteren het slechtst op het vlak van werkgelegenheid. Opvallend is ook dat die landen een genereus uitkeringssyteeem voor langdurige werklozen hebben, een zwak actief arbeidsmarktbeleid en lage uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling. Net alles wat we niet nodig hebben om de Lissabon-normen te halen en op die manier de vergrijzing te kunnen betalen. Conclusie: België heeft nood aan een sterk centraal of decentraal overleg. De Vlaamse werkgeversfederatie Voka pleit voor overleg op het niveau van de ondernemingen. De theorie lijkt hen gelijk te geven, maar onderzoeker Freddy Heylen ziet een belangrijke nuance. Decentraal onderhandelen met een sterke vakbond loopt op niets uit. En dus moet de vakbondsmacht gebroken worden. Dit is niet het moment om deze harde en lange strijd aan te gaan. De uitdagingen op korte termijn zijn te groot. En misschien is die strijd ook niet nodig. De vakbonden moeten nu aantonen dat ze zich niet in een egelstelling zullen terugtrekken in de discussies over het loopbaaneinde en de financiering van de sociale zekerheid. Als ze de ideologische taboes toch niet laten varen, zal er voor de werkgevers maar één ding opzitten: de vakbondsmacht breken. De vakbond heeft zijn lot in eigen handen. Guido Muelenaer