1446 DOOR DE SCHAARSTE AAN EDELE METALEN DROOGT HET GELD OP IN EUROPA

Aan het einde van de 15de eeuw mangelde het Europa aan edele metalen, toen nog de standaard voor alle munten. De zilvermijnen in het huidige Duitsland, Oostenrijk en Tsjechië zagen hun opbrengst dalen. Terzelfdertijd deed de Europese honger naar parfums en specerijen uit Azië aanzienlijke hoeveelheden goud wegvloeien. Bij gebrek aan grondstoffen sloot het ene na het andere muntatelier: dat van Calais in 1442 en dat van Dieppe in 1446. De schaarste trof iedereen. In Valencia konden de Franse en Italiaanse galjoenen hun lading niet meer verkopen omdat er geen geld was. Tussen 1400 en 1500 daalden de prijzen met 25 tot 50 procent. In het midden van de 16de eeuw maakte de ontginning van goud in Latijns-Amerika een einde aan de muntschaarste, waarna de inflatie weer aanflakkerde.
...

Aan het einde van de 15de eeuw mangelde het Europa aan edele metalen, toen nog de standaard voor alle munten. De zilvermijnen in het huidige Duitsland, Oostenrijk en Tsjechië zagen hun opbrengst dalen. Terzelfdertijd deed de Europese honger naar parfums en specerijen uit Azië aanzienlijke hoeveelheden goud wegvloeien. Bij gebrek aan grondstoffen sloot het ene na het andere muntatelier: dat van Calais in 1442 en dat van Dieppe in 1446. De schaarste trof iedereen. In Valencia konden de Franse en Italiaanse galjoenen hun lading niet meer verkopen omdat er geen geld was. Tussen 1400 en 1500 daalden de prijzen met 25 tot 50 procent. In het midden van de 16de eeuw maakte de ontginning van goud in Latijns-Amerika een einde aan de muntschaarste, waarna de inflatie weer aanflakkerde. Drie jaar na de slag bij Waterloo besloot de zegevierende Britse regering terug te keren naar de goudstandaard. In 1819 werd in een decreet vastgelegd dat binnen de vier jaar de convertibiliteit tussen het pond en goud zou worden hersteld. Maar eerst moest de geloofwaardigheid hersteld worden. De Bank of England trok de teugels strakker aan. In een jaar tijd daalde het geldvolume met 17 procent en zakten de prijzen met 63 procent. In 1821 werd de convertibiliteit opnieuw ingevoerd. De koers van het pond werd minder gunstig voor de export, maar tegelijk profiteerde de economie van de opleving van de zeehandel en begon de openbare schuld, die in 1816 piekte op 260 procent van het bbp, af te nemen. In het midden van de 19de eeuw ontleenden de zuidelijke Amerikaanse staten aanzienlijke sommen bij de banken van Uncle Sam, die op hun beurt begonnen te speculeren op de katoenprijs. Maar in 1839 stortte alles in. De monetaire verstrakking in het Verenigd Koninkrijk knaagde aan de afzetmogelijkheden van de Verenigde Staten, een belangrijke exporteur van katoen. De banken werden bij de keel gegrepen en schortten de betaling in speciën op. Maar bijna een kwart ging toch failliet. De deflatie sloeg toe. In vier jaar tijd daalden de prijzen met 42 procent. Aan het einde van de 19de eeuw noteerden de grote industrielanden twintig jaar lang prijsdalingen van ongeveer 2 tot 3 procent per jaar. Dat was nochtans gezonde deflatie, die gepaard ging met een verhoging van het bruto binnenlands product. De prijsdaling werd dit keer niet veroorzaakt door een bankencrisis of een te restrictief monetair beleid. Ze kwam door de snelle daling van de internationale transportkosten, die mogelijk gemaakt werd door de industriële revolutie en de ontwikkeling van de spoorwegen. Met andere woorden, door de vooruitgang. Tussen 1873 en 1896 daalde de eenheidswaarde van de export met 36 procent. Die terugval leidde tot grote spanningen. Vanaf 1879 verhoogden verschillende Europese landen opnieuw hun douanerechten, en vervolgens bracht de prijsdaling ook schade toe onder de landbouwers. De Grote Depressie begon op 24 oktober 1929. Op die beruchte zwarte donderdag werden bijna 13 miljoen aandelen verkocht. In vier dagen tijd verloor de beurs 23 procent. Die bijzonder krachtige crash veroorzaakte paniek. Al snel volgden de instorting van de kredietverlening en het faillissement van talrijke banken. Gezinnen en bedrijven deden hun activa van de hand om hun schulden af te bouwen en veroorzaakten zo een onstuitbare prijsdaling. Tussen 1920 en 1933 daalden de prijzen en de lonen met 43 procent en halveerde het bbp. De schokgolf plantte zich voort over heel Europa. Op 28 maart 1930 werd Heinrich Brüning kanselier. Duitsland ondervond toen de gevolgen van de crisis in de Verenigde Staten. De economie verkeerde in recessie, de uitvoer was met de helft gedaald en de werkloosheid schoot omhoog. Achtervolgd door de herinnering aan de hyperinflatie van de jaren twintig, weigerde Brüning te devalueren en koos hij voor een soberheidsbeleid. Zijn doel was het overheidsdeficit te verlagen en de concurrentiekracht van de ondernemingen te herstellen. Hij legde een daling van de lonen van arbeiders en ambtenaren op, zette de werklozen droog en verhoogde de belastingen. In plaats van zich te herstellen, raakte de economie in een diepe crisis. Erger nog, die maatregelen droegen bij tot de opkomst van Hitler. Toen Pierre Laval in 1935 aan de macht kwam in Frankrijk, was de budgettaire situatie van het land catastrofaal en de frank -- die nog altijd deel uitmaakte van de goudstandaard -- veel te sterk. In tegenstelling tot Raymond Poincaré in 1928 weigerde hij de munt te devalueren. Met een autoritair deflatiebeleid poogde hij de Franse prijzen af te stemmen op het internationale prijsniveau. Per decreet werden de salarissen en pensioenen van de ambtenaren 10 procent afgetopt. Om de frank te ondersteunen, werden de intresten opgetrokken. Dat beleid leidde echter vooral tot een daling van de activiteit en de werkgelegenheid. Leon Blum moest bij zijn aantreden in 1936 toch de nationale munt devalueren. In het begin van de jaren negentig spatte in Japan de financiële zeepbel uit elkaar. Dat richtte enorme schade aan op de beurs en in de vastgoedsector. In vier jaar tijd verloren de financiële beleggers 500.000 miljard yen en de huiseigenaars zowat 300.000 miljard. Verschillende banken gingen over de kop. De rest ging gebukt onder de schulden en stopte met krediet te verlenen. In 1999 verzeilde Japan in een negatieve inflatie. Dankzij de inspanningen van premier Juni-chiro Koizumi, die de schuldenafbouw bij de banken versnelde, leek de deflatie in 2006 overwonnen. Maar in 2009 dook ze opnieuw op, wat premier Shinzo Abe (foto) ertoe verplichtte de koers van de yen met 20 procent te verlagen. Die depreciatie lijkt nu vruchten af te werpen. De inflatie is teruggekeerd, maar voor hoelang? In 1999 kon Argentinië de koppeling van de peso aan de snel stijgende dollar niet langer volhouden. President Carlos Menem deed een beroep op het IMF, dat een soberheidskuur voorschreef. Die maakte de recessie alleen maar erger. De prijzen doken naar beneden. Op 1 december 2001 beperkte de regering de geldopnames en verbood overschrijvingen naar het buitenland. Dat lokte een algemene staking en betogingen uit. Menem nam ontslag. Zijn opvolger zei dat het land de schulden niet kon terugbetalen. De koppeling van de peso aan de dollar werd opgeheven en de munt gedevalueerd. In 2008 kon Dublin zijn banken niet meer redden. Het land deed een beroep op het Europese noodfonds en nam maatregelen om de schuldeisers gerust te stellen: de salarissen in de ambtenarij werden gekortwiekt, de sociale uitkeringen beperkt. Ook de privésector verlaagde de kosten. Het gevolg was dat de activiteit en de prijzen achttien maanden lang daalden. Intussen gaat het beter met Ierland. In december stapte het land uit het bijstandsprogramma, maar het had toen al 300.000 landgenoten zien vertrekken.