Al vele jaren geldt in de vennootschapsbelasting een vrijstelling van meerwaarden op aandelen (als bepaalde voorwaarden vervuld zijn). Deze vrijstelling is niet onlogisch.
...

Al vele jaren geldt in de vennootschapsbelasting een vrijstelling van meerwaarden op aandelen (als bepaalde voorwaarden vervuld zijn). Deze vrijstelling is niet onlogisch. Als vennootschap A aandelen heeft in vennootschap B, ontvangt ze de dividenden die van vennootschap B afkomstig zijn (onder voorwaarden) zo goed als vrij van belasting (door het stelsel van de definitief belaste inkomsten). Die vrijstelling is bedoeld om economische dubbele belasting te vermijden. Vennootschap B (die de dividenden uitkeert) heeft al belasting betaald op de winst waaruit ze de dividenden betaalt. Het is dan ook niet meer dan logisch dat vennootschap A (bijna) geen belasting meer moet betalen op het dividend dat ze ontvangt. Dezelfde redenering ligt aan de basis van de vrijstelling van de meerwaarden op aandelen. Als vennootschap A haar aandelen in vennootschap B verkoopt en daarbij een meerwaarde realiseert, is dat normaal gezien omdat vennootschap B opgepotte reserves heeft. Zij heeft daar al vennootschapsbelasting op betaald. De vrijstelling van de meerwaarden op aandelen die in de vennootschapsbelasting van toepassing is, vermijdt dat die opgepotte reserves nog eens bij vennootschap A worden belast. Bruto. Hoe ver reikt de vrijstelling? Stel dat vennootschap A de aandelen B indertijd gekocht heeft voor 100 euro per stuk. En dat ze die aandelen nu verkoopt voor 150 euro per stuk. De meerwaarde is dan ogenschijnlijk 50 euro per stuk. Maar wat als ze voor deze verkoop specifieke kosten heeft gemaakt? Ze heeft bijvoorbeeld een makelaar ingeschakeld om een koper te vinden. Is de brutomeerwaarde van 50 euro dan nog altijd volledig vrijgesteld? Of moet ze verminderd worden met de kosten die voor de verkoop zijn betaald (zoals het honorarium van de makelaar)? Dat zou dan betekenen dat alleen de nettomeerwaarde voor vrijstelling in aanmerking komt. Na aftrek van de kosten. Daarover woedt een felle strijd. Ongeveer iedereen die de belangen van de belastingplichtigen behartigt, houdt vol dat de brutomeerwaarde moet worden vrijgesteld. Terwijl de fiscus al even hardnekkig volhoudt dat alleen de nettomeerwaarde voor vrijstelling in aanmerking komt. Voor de rechtbanken en hoven wordt al een vijftal jaar verwoed slag geleverd. Met wisselend succes. Veel rechtbanken van eerste aanleg hebben inmiddels geoordeeld dat de vrijstelling effectief op het brutobedrag van de meerwaarde slaat (zonder aftrek van kosten). Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat enkele rechtbanken de fiscus gelijk hebben gegeven en de vrijstelling dus beperkten tot het nettobedrag (na aftrek van de kosten). Wetgever. De fiscus zag de bui hangen en heeft de wet doen aanpassen. Met ingang van het aanslagjaar 2007 geldt dat meerwaarden die in het kader van de beroepsuitoefening verwezenlijkt worden, fiscaal alleen nog in aanmerking genomen worden tot beloop van hun nettobedrag. Dus na aftrek van de kosten die rechtstreeks verband houden met de vervreemding. Eerste vaststelling: de wetswijziging betreft niet alleen de meerwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting. Alle professionele meerwaarden op eender welke activabestanddelen worden geviseerd. De prijs die de belastingplichtigen betalen is dus veel hoger dan het louter wegwerken van wat de fiscus als een anomalie beschouwde (namelijk dat de vrijstelling alleen nog van toepassing zou zijn op basis van het brutobedrag van de meerwaarde). Overbodig. Tweede vaststelling: de wetswijziging is misschien overbodig. Weliswaar bestond er in de rechtspraak een overheersende neiging (bij de rechtbanken van eerste aanleg) om de vrijstelling van de meerwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting toe te staan op brutobasis. Maar inmiddels heeft het hof van beroep in Antwerpen in enkele opmerkelijke arresten resoluut de kaart van de vrijstelling van de nettomeerwaarde getrokken. Als deze trend zich doorzet, zal men achteraf misschien moeten besluiten dat de tussenkomst van de wetgever niet nodig is geweest. Met spanning wordt dan ook uitgekeken naar wat het Hof van Cassatie zal beslissen. Notioneel. Derde vaststelling: de wetswijziging is doorgevoerd in het kader van de invoering van de aftrek voor risicokapitaal (beter bekend als de notionele interest). Ze moet de kostprijs van de notionele interest budgettair helpen compenseren. Maar dat kan uiteraard alleen als de fiscus door de wetswijziging aan bijkomende inkomsten raakt. Als de rechtspraak van het hof van beroep in Antwerpen zich doorzet, en eventueel door het Hof van Cassatie bevestigd wordt, is er uiteraard geen winst (voor de fiscus). Dan is er gewoon een status-quo. De notionele interest wordt dan (mede)gefinancierd met een maatregel die niets opbrengt. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck