De zesde staatshervorming geeft de regio's ruimte voor een grondige bijsturing van hun arbeidsmarktbeleid. Vanzelfsprekend moet dat herontwerp vertrekken van een visie op activering en inzetbaarheid, en op de balans tussen flexibiliteit en zekerheid. Het moet gericht zijn op de aftopping van extreme ongelijkheid in kansen en uitkomsten, maar het moet wie meer inspanning levert voor de economie en (dus) voor anderen ook durven te belonen. Het nieuwe arbeidsmarktbeleid moet bovendien passen bij de ambities van het nieuwe industriebeleid.
...

De zesde staatshervorming geeft de regio's ruimte voor een grondige bijsturing van hun arbeidsmarktbeleid. Vanzelfsprekend moet dat herontwerp vertrekken van een visie op activering en inzetbaarheid, en op de balans tussen flexibiliteit en zekerheid. Het moet gericht zijn op de aftopping van extreme ongelijkheid in kansen en uitkomsten, maar het moet wie meer inspanning levert voor de economie en (dus) voor anderen ook durven te belonen. Het nieuwe arbeidsmarktbeleid moet bovendien passen bij de ambities van het nieuwe industriebeleid. Maar de ontwikkeling van een visie is niet voldoende. Bij de herinrichting van de arbeidsmarkt moet ook rekening worden gehouden met systeemtechnische criteria ls doeltreffendheid, doelgerichtheid, stabiliteit en transparantie. Een maatregel is doeltreffend als de geleverde inspanningen en de daarmee gepaard gaande uitgaven echt bijdragen aan de realisatie van het beoogde doel. Oog hebben voor doeltreffendheid impliceert dat we stopzetten wat niet werkt in de plaats van onszelf wijs te maken dat het wél werkt. Neem de opleidingscheques. Die worden veel vaker ingezet door wie er financieel minder nood aan heeft. Bovendien worden er heel vaak opleidingen mee gesubsidieerd die ook zonder de cheque gevolgd zouden zijn. De opleidingscheque wordt zo een blanco cheque. In het algemeen moet het arbeidsmarktbeleid sterker aansluiten bij de wetenschappelijke kennis over wat wel en wat niet werkt. Als de internationale literatuur aangeeft dat tewerkstellingsprogramma's zelden werken, dan moeten we ze vooral niet willen uitbreiden. Ook doelgerichtheid is van belang. Bij de invoering van een nieuwe maatregel moeten de doelen scherp gesteld en de doelgroep afgelijnd zijn. De doelen moeten vertaald zijn in meetbare evaluatiecriteria. Maatregelen die niet doeltreffend zijn in leven houden is één probleem, niet over de methode beschikken om dat tijdig vast te stellen is een groter probleem. Zo beveelt het Rekenhof de RVA in een recent rapport aan de brede waaier van activeringsprogramma's "te evalueren en de mogelijke effecten van substitutie tussen de verschillende maatregelen in kaart te brengen. Het pleit er bovendien voor bij toekomstige activeringsmaatregelen niet alleen de doelgroep te definiëren, maar ook duidelijke doelstellingen in verband met het aantal werknemers en de uitgaven te formuleren". Het is pijnlijk vast te stellen dat dit blijkbaar niet vanzelfsprekend is. Behalve op een gebrek aan doelgerichtheid wijst het Rekenhof ook op een gebrek aan stabiliteit. Natuurlijk juichen we samen met het Hof toe dat de aandacht voor activering sinds 2002 sterk is toegenomen. Dat verdient een grote pluim. De overheid is inderdaad al lang niet meer die allesverslindende en onbeweeglijke moloch waarmee ze nog te vaak geassocieerd wordt. Maar we moeten opletten dat de toegenomen responsiviteit niet omslaat naar veranderingsdrift. We hebben een actieve en geen hyperactieve welvaartsstaat nodig. Als het Rekenhof al niet meer kan volgen, wat dan met de burger? Dat brengt ons bij de transparantie die in vele beleidsdomeinen zoek is. Ik moet tijdskrediet opnemen om de regels van het tijdskrediet onder de knie te krijgen. Als ik me in een wegwijzer als www.aandeslag.be identificeer als werkgever uit de privésector, dan krijg ik een overzicht van niet minder dan 109 tewerkstellingsmaatregelen. Daarmee kan je helemaal niet 'aan de slag'. Ook het arsenaal van maatregelen om de opleidingsdeelname van werkenden te stimuleren, is tot de nok gevuld. De ironie wil dat we de voorbije maanden van de Vlaamse overheid de vraag kregen in kaart te brengen welke opleidingsstimuleringsmaatregelen nu eigenlijk bestaan en wat hun bereik is. Vandaag heeft een overheid dus externen nodig om de eigen maatregelen te kunnen overzien. Ondoorzichtigheid en instabiliteit leiden tot een gebrek aan doelgerichtheid en doeltreffendheid. Ze vloeien voort uit bureaucratische overproductie en een gebrek aan transversaal beleid. Ze worden ook gevoed door de neiging van het politieke bedrijf telkens weer kleine veranderingen aan te brengen in het beleid. We schrikken terug van enkele grote, zorgvuldig geplande wijzigingen en geven de voorkeur aan vele kleine, veelal intuïtieve veranderingen en een focus op acute problemen. Ook politieke profilering is een oorzaak. De auteur is decaan van de faculteit Economie en Bedrijfsweten- schappen aan de KU Leuven . LUC SELSIn het algemeen moet het arbeidsmarktbeleid sterker aansluiten bij de wetenschappelijke kennis over wat wel en wat niet werkt.