Het was een soort jamboree van het sociaal overleg die de federale minister van Werk Kris Peeters (CD&V) had samengeroepen in het gebouw van de Nationale Arbeidsraad (NAR). Peeters vroeg de sociale partners de komende maanden manieren te vinden om werk 'werkbaar' te maken. Anders gezegd: aantrekkelijk genoeg om werknemers die nu gemiddeld aan 59,6 jaar uittreden langer aan de slag te houden.
...

Het was een soort jamboree van het sociaal overleg die de federale minister van Werk Kris Peeters (CD&V) had samengeroepen in het gebouw van de Nationale Arbeidsraad (NAR). Peeters vroeg de sociale partners de komende maanden manieren te vinden om werk 'werkbaar' te maken. Anders gezegd: aantrekkelijk genoeg om werknemers die nu gemiddeld aan 59,6 jaar uittreden langer aan de slag te houden. Mogelijkheden zijn een loopbaanrekening waarop een werknemer niet- toegekende vakantiedagen of overuren kan zetten en later kan opnemen. Maar er kan ook gedacht worden aan stress bestrijden via sectorale actieplannen, of de regels over de vereiste gepresteerde arbeidsuren herbekijken. De vakbonden en de werkgevers zijn het erover eens dat de arbeidsreglementering toe is aan een aanpassing, maar over de invulling van het begrip 'werkbaar werk' lopen de standpunten sterk uiteen. Voor de vakbonden staat werkbaar werk gelijk met arbeidsherverdeling en arbeidsduurvermindering, zeker aan het einde van de loopbaan. De werkgevers antwoorden met cijfers: al in 2009 genoten zo'n 250.000 Belgen van loopbaanonderbreking, tijdskrediet en thematische verloven. Dat is gestegen tot meer dan 290.000. Ze wijzen er ook op dat slechts een minderheid van de werknemers (45,4 %) vindt dat zijn werk niet werkbaar is. 89 procent van de werknemers vindt de combinatie arbeid-gezin in evenwicht. VBO, Unizo en co zien andere prioriteiten: een flexibel humanresourcesbeleid met oog voor de zeer volatiele economische omgeving. Bedrijven moeten uiterst wendbaar zijn. Ze moeten almaar complexere producten vervaardigen, ze moeten hun diensten op ongewone uren aanbieden, ze werken meer dan ooit just in time. De productie moet aan een snel veranderende vraag en consumptiepatroon beantwoorden. "De arbeidsorganisatie moet ook aan die flexibiliteit worden aangepast. Een te rigide regelgeving bedreigt de wendbaarheid van de ondernemingen", weet Bart Buysse, directeur-generaal bij het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO). "Daardoor komt hun competitiviteit in het gedrang. En zonder competitiviteit zijn er geen werkbare jobs." In België bestaan al heel wat instrumenten om in te spelen op een volatiele vraag. Bedrijven kunnen een beroep doen op tijdelijke arbeid, ploegen- en nachtarbeid, weekendwerk. Bepaalde bedrijven gaan flexibel om met de arbeidstijden. Een referentie in België is Audi Brussel met zijn plusminusconto. Met deze flexibele arbeidsregeling wordt de arbeidsduur gespreid over een periode van meerdere jaren. In kalme periodes wordt minder gewerkt, in piekperiodes meer. Ondanks de bestaande flexibiliteitsinstrumenten vindt Bart Buysse dat het arbeidsrecht en de arbeidsreglementering aan een verbetering toe zijn. Hij voelt zich gesterkt door de mogelijkheden in het buitenland. Daar wordt veel meer dan in België een beroep gedaan op tijdelijke, ploegen- en nachtarbeid en weekendwerk. Buysse ziet drie grote problemen voor de bedrijven. Ten eerste zijn er te weinig of onvoldoende aangepaste flexibiliteitsvormen. Bovendien is de toegang tot die vormen aan tal van voorwaarden onderworpen. Ten derde kost flexibiliteit veel geld. Buysse: "Als je meer flexibilisering wil doorvoeren, is overleg met de vakbonden nodig. Je moet dikwijls al een prijs betalen bij de onderhandelingen. Er zijn dan nog de kosten van het toepassen van die flexibiliteit: de toeslagen voor overuren, nacht- en ploegenarbeid of zondagswerk zijn hoog. Voor zondagswerk verdienen mensen soms 300 procent van hun normale loon. In de buurlanden ligt dat vaak een stuk lager." Een ander voorbeeld is de Belgische definitie van nachtarbeid: werken tussen 20 uur 's avonds en 6 uur 's ochtends is nachtarbeid en dus duurder. "Belgische bedrijven kunnen door zo'n strenge regeling hun structuren niet optimaliseren en zien kansen verloren gaan aan buitenlandse bedrijven", stelt Buysse vast. "Extra flexibiliteit en wendbaarheid voor bedrijven betekenen vaak een versterking van de activiteit en nieuwe werkkrachten op termijn. Ons verouderde arbeidsrecht kost zo kansen en jobs, niet het minst voor laaggeschoolden." De VBO-directeur vindt het ook vreemd dat er altijd gesproken wordt over arbeidsduurvermindering en niet over arbeidsuurvermeerdering. Dat laatste is in Duitsland een courante zaak. Buysse: "In de meeste sectoren wordt daar gewerkt op trimester- of jaarbasis. De referteperiode spreiden over een langere periode via de uitbreiding van het plusminusconto stelt bedrijven in staat schommelingen in de activiteit beter op te vangen. Werknemers kunnen niet-gepresteerde uren in dat geval overdragen naar een volgende periode. Maar vakbonden blijven daar hun veto tegen stellen." Door het gebrek aan nieuwe en ruimere vormen van flexibiliteit proberen de Belgische bedrijven zich te behelpen met de bestaande flexibiliteitsinstrumenten, zoals tijdelijke werkloosheid. Dat systeem laat bedrijven toe mensen toch aan boord te houden als het wat minder goed gaat (de arbeidsovereenkomst wordt geschorst, de werknemer blijft in dienst, maar werkt niet en ontvangt een RVA-uitkering). De tijdelijke werkloosheid werd tijdens de financi-ele crisis ook mogelijk voor bedienden. Het aantal tijdelijke werklozen steeg van zo'n 120.000 in 2007 naar 210.000 in 2009 om nu opnieuw te dalen naar 135.000. De uitgaven voor het stelsel stegen van 381 miljoen euro in 2007 naar 824 miljoen euro in 2013. Vorig jaar daalden ze naar 580 miljoen euro. Bart Buysse blijft tijdelijke werkloosheid als flexibiliteitsinstrument verdedigen, ook al kostte het de voorbije jaren veel aan de staatskas. "Het stelsel is hier sterker uitgebouwd dan in andere landen, maar het compenseert voor een stuk de gebrekkige toegang tot andere flexibiliteitsinstrumenten in bedrijven. De kosten van tijdelijke werkloosheid zijn lager dan die van een ontslag. Een werkloze kost de overheid al snel 30.000 tot 33.000 euro per jaar. Dat Opel nog een tijd langer in Antwerpen is gebleven, was onder meer het gevolg van een loonkostenverlaging in het ploegenstelsel, maar ook dankzij het stelsel van tijdelijke werkloosheid. Daarom vraag ik de regering: begin niet te morrelen aan tijdelijke werkloosheid als er geen alternatieven bestaan." Alain Mouton"Begin niet te morrelen aan tijdelijke werkloosheid als er geen alternatieven bestaan" Bart Buysse