De Amerikaanse federale inkomstenbelasting beleeft ('viert' is misschien niet het juiste woord) haar honderdste verjaardag in 2013. Het zestiende amendement aan de grondwet, dat in februari 1913 geratificeerd werd, bepaalde dat federale belastingen niet langer moesten worden gevestigd op het aantal inwoners van de staten, wat enkele maanden later de weg vrijmaakte voor een inkomstenbelasting. Ze was progressief en de hoogste marginale aanslagvoet bedroeg 7 procent.
...

De Amerikaanse federale inkomstenbelasting beleeft ('viert' is misschien niet het juiste woord) haar honderdste verjaardag in 2013. Het zestiende amendement aan de grondwet, dat in februari 1913 geratificeerd werd, bepaalde dat federale belastingen niet langer moesten worden gevestigd op het aantal inwoners van de staten, wat enkele maanden later de weg vrijmaakte voor een inkomstenbelasting. Ze was progressief en de hoogste marginale aanslagvoet bedroeg 7 procent. Het loont de moeite dat eeuwfeest in gedachten te houden, want in de Verenigde Staten en daarbuiten zal volop gediscussieerd worden over belastingen, herverdeling en wie moet opdraaien voor de vermindering van de tekorten. Er zijn gelijkenissen met de toestand van een eeuw geleden. Net als in het tijdperk van de industriebaronnen is aan de top van de inkomensladder een concentratie van rijkdom ontstaan. In de voorbije dertig jaar heeft al wie bekwamer en beter opgeleid is, buiten proportie geprofiteerd van de globalisering en de technologische veranderingen, terwijl voor de anderen het aandeel in de economische taart gekrompen is. In andere opzichten is de uitdaging nu groter. Aan het begin van de twintigste eeuw was de omvang van de staat nog beperkt, stond de verzorgingsstaat in de kinderschoenen en waren de belastingen laag. Nu zijn de overheden omvangrijk. Ze torsen een enorme schuldenlast en spiegelen hun vergrijzende bevolking onhoudbare welvaartsbeloften voor. Bovendien groeien heel wat economieën in de rijke wereld sloom of helemaal niet. Als de opbrengsten van de groei onevenredig verdeeld worden, dan zien veel mensen hun levensstandaard niet alleen in relatieve maar ook in absolute termen dalen en dat maakt de strijd over wie de tekorten moet aanzuiveren er alleen maar scherper op. De toon van de discussie is opvallend verschillend in Amerika en Europa. In de Verenigde Staten gaat het om de vraag of de belastingtarieven naar omlaag moeten, ook voor de rijken, en of hard moet worden gesnoeid worden in de uitgaven, dan wel of het hoogste tarief in de inkomstenbelasting moet worden opgetrokken tot 39,6 procent. In Europa is er meer bereidheid om de rijken te belasten. Frankrijk is van plan in 2013 twee derde van de verlaging van het deficit uit de rijken te persen. Boven op een belastingtarief van 75 procent voor wie een jaarinkomen van meer dan 1 miljoen euro heeft, komt er ook een nieuwe belastingschijf van 45 procent voor een bredere groep van begoeden. Andere landen, zoals Spanje en Portugal, legden de nadruk op bezuinigingen, maar ook daar werden de belastingen voor de rijken verhoogd. Het is niet verwonderlijk dat de rijken opgeroepen worden om hun steentje bij te dragen. Maar hogere marginale aanslagvoeten zijn niet de enige manier om daarvoor te zorgen. Een grondige belastinghervorming, met meer progessiviteit, is een beter idee. Voor een billijke afbouw van de tekorten zijn ook de uitgaven van belang. De transfers van de overheid zijn het belangrijkste instrument voor herverdeling in de rijke landen, de Verenigde Staten uitgezonderd. Vaak raken besparingen de armen het felst, omdat bezuinigd wordt op inkomensafhankelijke transfers. Dat is deels onvermijdelijk in landen met een onhoudbaar grote welvaartsstaat. De Europese overheden kunnen echter nog snoeien in de extraatjes voor de middenklasse, zoals de algemene kinderbijslag. ZANNY MINTON BEDDOES, Redactrice economie van The EconomistDe Europese overheden kunnen nog snoeien in de extraatjes voor de middenklasse.