In augustus 1960 maakte Wolfgang Stolper, een Amerikaanse econoom die werkte voor het Nigeriaanse ministerie van Ontwikkeling, een rondreis in de noordelijke regio, die lange tijd geregeerd werd door conservatieve emirs en "Britse tweederangsambtenaren die wars waren van zakendoen".
...

In augustus 1960 maakte Wolfgang Stolper, een Amerikaanse econoom die werkte voor het Nigeriaanse ministerie van Ontwikkeling, een rondreis in de noordelijke regio, die lange tijd geregeerd werd door conservatieve emirs en "Britse tweederangsambtenaren die wars waren van zakendoen". In dat schrale commerciële landschap bloeide een vreemde bloem: Kaduna Textile Mills, enkele jaren eerder gebouwd door een bedrijf uit Lancashire, zette 1400 mensen aan het werk, die in prijzen van vandaag amper 4,8 pond (5,6 euro) per dag verdienden. En toch had het een invoerheffing van 90 procent nodig om te kunnen concurreren. Geschoolde arbeidskrachten waren schaars. De fabriek vond slechts zes noorderlingen die de moeite waren om op te leiden tot ploegbaas. Sommige werknemers stapten 15 kilometer naar het werk, anderen droegen de hoop van tot de bedelstaf veroordeelde familieleden op de schouders. Velen lieten ook het werk in de steek en dat verhoogde alleen maar de kosten om vervangers te vinden en op te leiden. Zij die bleven, waren vaak te moe, te onervaren of te weinig onderlegd om de machines behoorlijk te bedienen. "Afrikaanse werkkrachten zijn de slechtst betaalde en duurste ter wereld", klaagde Stolper. Hij besloot dat Nigeria nog niet klaar was voor grootschalige industrie. "Elke industrie die hoge kosten vergt, verarmt het land en is het niet waard om te hebben", geloofde hij. De ideeën van Stolper legden heel wat gewicht in de schaal. Zijn troefkaart, waarmee hij het respect van zijn vrienden en de aandacht van zijn meerderen afdwong, was het deels naar hem vernoemde Stolper-Samuelson-theorema. Het theorema werd twintig jaar eerder uiteengezet in een paper, die Stolper samen schreef met Paul Samuelson, een van de beroemdste denkers uit de discipline. Het document wierp een nieuw licht op een oud onderwerp: het verband tussen invoerheffingen en lonen. De faam en de invloed van die paper gingen Stolper vooraf naar Nigeria en leefden voort na zijn overlijden in 2002 op 89-jarige leeftijd. Nu nog kruidt het theorema de discussie rond handelsovereenkomsten als het Trans-Pacific Partnership (TPP). De paper toonde iets aan dat voor niet-economen blijkbaar voor de hand lag: vrijhandel met lagelonenlanden kan de werknemers in een land met hoge lonen schaden. Die aanklacht maakte traditioneel weinig indruk op de economen. Stolper wees erop dat slecht betaalde arbeid niet noodzakelijk goedkoop is, omdat lage lonen vaak povere productiviteit weerspiegelen - zoals in Kaduna Textile Mills. Het Stolper-Samuelson-theorema vond een "greintje van mogelijke waarheid", zoals Samuelson het later noemde, in het argument dat arbeiders in rijke landen moeten beschermd worden tegen de pauper labour, die elders een aalmoes betaald werd. Het theorema verstoorde enkele algemeen aanvaarde inzichten. Economen hebben altijd geweten dat invoerheffingen de industrieën die ze beschermden ondersteunden, maar ze waren even vast ervan overtuigd dat vrijhandel alle landen ten goede kwam. In 1817 toonde David Ricardo aan dat een land kan profiteren van de handel, ook als het alles beter doet dan zijn buren. Een land dat in alles beter is, zal immers altijd in iets het 'meest beter' zijn. Daarop moet het zich concentreren, toonde Ricardo aan, en importeren wat zijn buren het 'minst slecht' doen. Als slechte grammatica niet genoeg is om een punt te maken, dan helpt een oude analogie misschien. Veronderstel dat de beste advocaat in de stad ook de beste typist is. In tien minuten tikt hij een document waarvoor zijn secretaresse twintig minuten nodig heeft. Typen kost hem dus minder, maar in de tijd die hij aan typen besteedde, had hij ook advocaat kunnen zijn. En hij zou dan aanzienlijk meer juridisch werk hebben verzet dan zijn secretaresse zelfs in het dubbele van de tijd had kunnen doen. In die zin kost typen hem veel meer. Het loont dus voor de snel tikkende advocaat zich te specialiseren in juridisch werk en het typen te 'importeren'. In Ricardo's model kan dezelfde sector in een land meer arbeid nodig hebben dan in een ander. Dergelijke verschillen in de behoefte aan arbeid zijn een stimulans voor de handel. Een andere stimulans zijn verschillen in de beschikbaarheid van arbeid. In sommige landen is arbeid schaars in vergelijking met de hoeveelheid land, kapitaal of opleiding die het land heeft vergaard. In andere landen is het omgekeerde waar. Landen verschillen in de mix van arbeid, land, kapitaal, bekwaamheid en andere 'productiefactoren'. In de jaren twintig en dertig pionierden Eli Heckscher en Bertil Ohlin met een handelsmodel dat door die verschillen werd aangedreven. Volgens hun model liet handel landen als de Verenigde Staten toe op arbeid te besparen door zich te concentreren op kapitaalintensieve activiteiten die weinig arbeid vereisen. Sectoren die grote hoeveelheden hard labeur vergden, konden overgelaten worden aan buitenlanders. Op die manier verlichtte handel de schaarste aan arbeid. Dat was goed voor het land, maar was het ook goed voor de arbeiders? Schaarste is een bron van waarde. Als handel de waarde van de schaarse arbeidskrachten uitholde, zou hij ook hun onderhandelingskracht ondermijnen. Het was perfect mogelijk dat vrijhandel het aandeel van de arbeid in het nationaal inkomen zou verminderen. Maar omdat handel dat inkomen ook zou verhogen, zouden de arbeidskrachten ook beter af zijn, vermoedden de meeste economen. Bovendien zou, ook al drukte de buitenlandse concurrentie op de 'nominale' lonen, hij ook de prijs van importeerbare goederen verlagen. Afhankelijk van hun consumptiepatronen zou de koopkracht van de arbeiders dan kunnen toenemen, ook al daalden hun lonen. In tegenstelling tot olie, landbouwgrond en vele andere productiemiddelen, is arbeid vereist in elke industrie. Dus, ongeacht hoe de industriële mix van een land evolueert, er zal altijd vraag zijn naar arbeid. In de loop van de jaren is arbeid ook wendbaar en aanpasbaar. Als handel het voor een sector mogelijk maakt uit te breiden en een andere verplicht in te krimpen, dan zullen nieuwe arbeidskrachten gewoon naar de nieuwe industriële sectoren migreren en de verouderde de rug toekeren. "Op termijn heeft de arbeidersklasse in haar geheel niets te vrezen van internationale handel", zo concludeerde de Oostenrijkse econoom Gottfried Haberler in 1936. Stolper was niet zo zeker. Hij vond dat Ohlins model niet strookte met Haberler. Stolper deelde zijn twijfel met Samuelson, zijn jonge Harvard-collega. Het duo probeerde het eerst met een eenvoudig voorbeeld: een kleine economie die gezegend is met een overvloed aan kapitaal (of land), maar waar arbeid schaars is, produceert horloges en tarwe. De arbeidsintensieve uurwerkindustrie geniet van een invoerheffing van 10 procent. Als dat tarief ingetrokken wordt, dalen de prijzen met een vergelijkbaar bedrag. De sector kan niet langer break-even draaien en dankt werknemers af en ontruimt land. Wat gebeurt er dan met de lonen en de grondprijs zodra de rust is weergekeerd? Een leek zou veronderstellen dat ze allebei met 10 procent zakken, zodat de horlogemakers weer winst maken. Een snuggere leek zou er daarentegen van uitgaan dat de grondprijs minder zal dalen dan de lonen omdat de inkrimping van de uurwerkactiviteit meer arbeiders dan land vrijmaakt. Beiden zouden zich vergissen, want geen van beide weet wat er omgaat in de rest van de economie. Meer bepaald, welke prijzen niet gedaald zijn. Als zowel de lonen als de grondprijs dalen, maken de tarweboeren uitzonderlijk veel winst en breiden ze uit. Omdat ze meer land nodig hebben dan arbeiders, oefent hun expansie meer opwaartse druk uit op de grondprijs dan op de lonen. Terzelfder tijd zet de inkrimping van de horloge-industrie meer neerwaartse druk op de lonen dan op de grondprijs. Het getouwtrek tussen de twee sectoren leidt ertoe dat de lonen buiten verhouding dalen - met meer dan 10 procent - en dat de grondprijs maar weinig toeneemt. De combinatie van lichtjes duurder land en veel goedkopere arbeid herstelt de modus vivendi tussen de twee sectoren en houdt zowel de inkrimping van de horlogemakers als de expansie van de tarweboeren tegen. Omdat de landbouwers meer land dan arbeiders nodig hebben, schrikken lichtjes hogere grondprijzen hen even sterk af als veel lagere lonen hen aantrekken. De combinatie herstelt ook de winst van de horlogemakers, omdat de veel goedkopere arbeid hen meer helpt dan de lichtjes duurdere grond hen pijn doet. Het resultaat is dat de lonen meer gedaald zijn dan de uurwerkprijzen en dat de grondprijs is gestegen. Arbeiders zijn dus slechter af. Hun flexibiliteit zal hen niet redden. Evenmin doet het ertoe welke mix van uurwerken en tarwe ze kopen. Stolper, Samuelson en hun opvolgers breidden nadien het theorema uit naar meer ingewikkelde gevallen. Een populaire variatie is de opsplitsing van arbeid in geschoold en ongeschoold. Dat onderscheid werpt een licht op wat Stolper later meemaakte in Nigeria, waar opgeleide arbeiders schaars waren. Met een invoerheffing van 90 procent kon Kaduna Textile Mills het zich veroorloven plaatselijke ploegbazen te trainen en technici aan te werven. Zonder die heffing zou Nigeria waarschijnlijk textiel hebben ingevoerd uit Lancaster. Vrijhandel zou dus de 'schaarse' factor geschaad hebben. In rijke landen zijn geschoolde werknemers naar internationale normen in overvloed aanwezig en ongeschoolde arbeiders schaars. Naarmate de globalisering voortschreed, genoten universitair opgeleide werknemers snellere loontoenames dan hun minder geschoolde landgenoten, van wie velen leden onder stagnerende inkomsten. Op het eerste gezicht stemt dat loonpatroon overeen met het Stolper-Samuelson-theorema. De globalisering heeft de schaarse factor - ongeschoolde arbeid - geschaad en de overvloedige gebaat. Toch blijven enkele raadsels bestaan. Het theorema verklaart niet waarom geschoolde arbeiders zelfs in ontwikkelingslanden gedijden, waar ze niet in overvloed aanwezig zijn. De aanname dat elk land alles produceert - zowel horloges als tarwe - kan ook de gevaren van de handel overdrijven. In werkelijkheid importeren landen sommige zaken die ze niet langer produceren en andere zaken die ze nooit maakten. Import kan een lokale industrie die nooit bestond niet schaden. Een aantal andere premissen van het theorema zijn eveneens aanvechtbaar. De veronderstelling dat arbeiders van de ene sector naar de andere zullen verhuizen, bijvoorbeeld. Import uit China heeft Amerikaanse industriearbeiders niet naar minder arbeidsintensieve sectoren gedreven, ze hebben ze gewoon uit de werkende bevolking verdreven, zeggen David Autor van het Massachusetts Institute of Technology en zijn medeauteurs. Dankzij de globalisering bewegen goederen zich nu gemakkelijk over de grenzen, maar de arbeiders bewegen zelfs binnen de grenzen met moeite. Het Stolper-Samuelson-theorema kreeg niet onmiddellijk bijval. De oorspronkelijke paper werd afgewezen door de American Economic Review die het werk omschreef als "een zeer bekrompen studie in formele theorie". Zelfs Samuelsons eigen handboek ging behoedzaam om met de bewering. Nadat hij erkend had dat vrijhandel ertoe kan leiden dat Amerikaanse arbeiders slechter af zijn, voegde hij toch een waarschuwing toe: "Hoewel ze toegeven dat het theoretisch mogelijk is, zijn de meeste economen geneigd te denken dat dit greintje waarheid moet wijken voor realistischer overwegingen", schreef hij. En Stolper? Hij was er zeker van dat zijn paper de opwinding waard was. Hij zei dat hij zijn linkeroog zou geven om er nog zo een voort te brengen. Op de vijftigste verjaardag van de paper had hij het gebruik van dat oog inderdaad verloren, merkte hij droefgeestig op. Het andere deel van de overeenkomst werd echter niet vervuld. Hij schreef nooit meer zo'n goede paper. Weinigen deden dat trouwens. The Economist, illustratie Flor AguilarNu nog kruidt het Stolper-Samuelson-theorema de discussie rond handelsovereenkomsten als het Trans-Pacific Partnership (TPP). Dankzij de globalisering bewegen goederen zich nu gemakkelijk over de grenzen, maar de arbeiders bewegen zelfs binnen de grenzen met moeite.