Deze zomer brengt veel verrassende tijdingen. Een oprukkend virus herinnert ons eraan hoe fragiel we zijn. In Irak en de Levant roepen jihadisten het kalifaat uit. Bijna dertig jaar na Tsjernobyl treft de Oekraïense realiteit opnieuw ons leven. In België groeit een Zweedse coalitie.
...

Deze zomer brengt veel verrassende tijdingen. Een oprukkend virus herinnert ons eraan hoe fragiel we zijn. In Irak en de Levant roepen jihadisten het kalifaat uit. Bijna dertig jaar na Tsjernobyl treft de Oekraïense realiteit opnieuw ons leven. In België groeit een Zweedse coalitie. Maar gefascineerd ben ik vooral door het 'oude' nieuws over de Groote Oorlog. Nooit eerder is geschiedenis zo herleefd. Fietsroutes volgen frontlinies, kranten brengen oorlogsdagboeken, levensgrote foto's tonen de vernieling van toen, dorpen gedenken hun martelaars. Het werkt zo aanstekelijk dat ik mijn oude boeken, die bijbrengen hoe die Groote Oorlog een grote impact had op arbeid en arbeidsmarkt, heb afgestoft. De cijfers doen duizelen. België verloor een vijfde van zijn nationaal vermogen. De voedselprijzen verveertienvoudigden op de zwarte - toen de enige echte - markt. De industriële activiteit viel terug op nog geen 30 procent van het vooroorlogse peil. In 1916 waren nog zes van de 54 hoogovens actief, in 1917 nog één, die in 1918 werd gedoofd. Met de Duitse ontmanteling verloor de metaalconstructie haar moderne machines. De verkeersinfrastructuur was niet meer. Honderden bruggen opgeblazen, 4000 kilometer spoorwegen uitgegraven. Het historische perspectief helpt te begrijpen dat wat we vandaag ervaren als rigiditeit en institutionele sclerose in het tijdsbestek van een eeuw slechts tijdelijke stabiliteit is in een turbulente geschiedenis. Zo leert de lectuur dat België aan de vooravond van WO I het meest geïndustrialiseerde en het op drie na belangrijkste uitvoerland was. Maar de sociale bescherming liep achter. België stond bekend als het lagelonenland van West-Europa, met veel minder collectieve loonregelingen dan Engeland, Duitsland of Nederland. We deden enkel beter dan wat toen nog bekendstond als la France individualiste. Het kan verkeren. In amper honderd jaar, slechts 36.500 dagen. Het relaas leert ook hoe in de achterstand vaak de kiemen van vooruitgang schuilen. Zonder de hoge werkloosheid aan het eind van de Groote Oorlog - 135.000 werklozen op een tewerkstelling van 805.000 in 1920 - zou de naoorlogse stakingsgolf uitgebleven zijn: 160.000 stakende arbeiders in 1919, 290.000 in 1920. De syndicale aanwas van 252.000 leden in 1914 naar 844.000 in 1920 zou zich niet voltrokken hebben. Zonder dit sociaal tumult zouden we niet al in 1919 zo'n toename hebben gezien van cao's en 'gelijktallige bedrijfscommissies'. De overheid zou in 1919 nooit de sprong naar subsidiëring van de werkloosheidsverzekering gewaagd hebben. De rijke historie toont verder hoe dicht oorlog en defensie bij verandering en innovatie liggen. Hoe staten zich in hun wapenwedloop toen al als entrepreneurial states gedroegen. Met veel impuls voor disruptive innovation in scheikunde en machinebouw, maar ook in organisatieontwerp en personeelsinzet. Zo legden de Duitsers de grondslag van assessment centers. Voor de selectie van officiers moesten grote groepen burgers beoordeeld worden op kwaliteiten die ze in hun beroepsleven nauwelijks hadden aangeboord. Ervaringsgericht interviewen was dus geen optie. Ook de Scientific Management-beweging vergaarde veel inspiratie voor productiviteitsverhoging, onder meer bij het Amerikaanse leger, dat als eerste bij 170.000 soldaten gestandaardiseerde intelligentietests invoerde. Na de oorlog werden duizenden officiers omgevormd tot lijnmanagers, op basis van eerder verworven competenties. De analyse van de Groote Oorlog is een rijke bron van inzicht. Ze leert dat wat we vandaag een grote recessie noemen, in het niets verdwijnt bij de ontregeling van toen. Ze wijst op de onvoorspelbaarheid van de sociaaleconomische ontwikkeling: het sociaal bestel zoals we dat kennen, had evengoed anders kunnen zijn. Ze toont hoe van machtsverschuivingen meer invloed uitgaat dan van planmatige sociale verandering. Ze benadrukt het belang van inclusieve instituties. De ontleding van de Groote Oorlog voedt de bewondering voor de veerkracht van de moderne samenleving. Vanaf 1926 braken voor België economische topjaren aan, met een groei die het Europese gemiddelde overtrof. Misschien moeten wij, professoren, om al deze redenen wat meer aandacht kweken voor de impact van de Groote Oorlog in ons vakgebied, in de hoop dat de volgende generaties gevoeliger worden voor de gevolgen van maatschappelijke keuzes. In de hoop dat deze geschiedenis onze achterkleinkinderen ook in 2114 nog zal raken. Want wie zijn geschiedenis verleert, wordt er ooit opnieuw mee geconfronteerd. De auteur is decaan van de faculteit Economie en Bedrijfsweten- schappen aan de KU Leuven .LUC SELSDe ontleding van de Groote Oorlog voedt de bewondering voor de veerkracht van moderne samenlevingen.