"Ik wens je veel sterkte toe", zo sprak een econoom van Columbia University deels uit leedvermaak, deels uit medelijden toen ik ruim vijf jaar geleden afscheid van hem nam. Ik had hem net verteld dat ik werd verwacht op de economiefaculteit van New Yorks meest beroemde universiteit enkele kantoren verder bij Robert A. Mundell. Het kan natuurlijk ook aan ondergetekende gelegen hebben, maar het gesprek - of wat daarvoor moest doorgaan - met Mundell ontpopte zich inderdaad tot een vrij hallucinante gebeurtenis en deze man deed zijn reputatie van grilligheid, raardoenerij en reële of gespeelde gekte alle eer aan. Achteraf bleek dat deze briljante econoom net in die periode zowat op het hoogtepunt zat van een langdurige crisis. Die lijkt intussen overwonnen (cfr. infra).
...

"Ik wens je veel sterkte toe", zo sprak een econoom van Columbia University deels uit leedvermaak, deels uit medelijden toen ik ruim vijf jaar geleden afscheid van hem nam. Ik had hem net verteld dat ik werd verwacht op de economiefaculteit van New Yorks meest beroemde universiteit enkele kantoren verder bij Robert A. Mundell. Het kan natuurlijk ook aan ondergetekende gelegen hebben, maar het gesprek - of wat daarvoor moest doorgaan - met Mundell ontpopte zich inderdaad tot een vrij hallucinante gebeurtenis en deze man deed zijn reputatie van grilligheid, raardoenerij en reële of gespeelde gekte alle eer aan. Achteraf bleek dat deze briljante econoom net in die periode zowat op het hoogtepunt zat van een langdurige crisis. Die lijkt intussen overwonnen (cfr. infra). In bovenvermeld gesprek sloeg Mundell er heel af en toe in de dingen op een coherente manier over te brengen. Eén daarvan was zijn argumentatie dat de twee jaar (1956 en 1957) die hij als post-doctoraal student had doorgebracht op de University of Chicago van primordiaal belang waren voor alles wat hij vooral in de vijftien daaropvolgende jaren als onderzoeker op papier zette. Dit leverde hem nu dus de Nobelprijs Economie op. Aangezien hij ook nog eens de periode 1965-1971 doorbracht aan die fameuze Midwestuniversiteit, vervoegt hij dus de horde Chicago-Nobellaureaten (zie kader: De echte Bulls). Statistisch stond het in de sterren geschreven dat Mundell dit jaar de Nobelprijs Economie zou krijgen. Johan Van Gompel van de studiedienst van de KBC berekende enkele maanden geleden dat de gemiddelde leeftijd van de laureaten tot nu toe op 67 jaar lag. Mundell zag bijna dag op dag... 67 jaar geleden het levenslicht, op 24 oktober 1932 in het Canadese dorpje Kingston. Reeds als student toonde Mundell duidelijke tekenen van genialiteit. In 1953 haalde hij aan de University of British Columbia tegelijkertijd zijn licentiaatsdiploma in Economie en in Slavische talen. Drie jaar later doctoreerde hij op MIT onder de hoede van de legendarische Charles Kindleberger. In de daaropvolgende acht jaren raasde Mundell als een TGV 'avant la lettre' door een pléiade van vooraanstaande universiteiten en instellingen: London School of Economics, University of British Columbia, Stanford University, Johns Hopkins University, George Washington University, McGill University, Georgetown University, het Internationaal Monetair Fonds, Brookings Institution en het Graduate Institute for International Studies (GIIS) in Genève. In 1965haalde Harry Johnson, nog iemand van Canadese origine, Mundell terug naar de 'University of Chicago'. Samen lagen ze daar aan de basis van een revolutie in internationale economie: de monetaire benadering van de betalingsbalans. In feite vormde deze vernieuwing het internationale verlengstuk van de algemene monetaire theorie zoals die in die dagen hoge toppen scheerde in Chicago onder de hoede van Milton Friedman. Aangezien Johnson in 1977 op de al te jonge leeftijd van 54 jaar stierf, kwam hij nooit echt in aanmerking voor de Nobelprijs. Het selectiecomité neemt zelden kandidaten beneden de 60 jaar in overweging. De Nobelprijs toegekend aan Mundell kan dan ook in zekere zin als een stukje postume Nobel-erkenning aan het adres van deze Johnson beschouwd worden. Johnson en Mundell vormen een legendarisch duo in de rijke geschiedenis van de faculteit economie in Chicago. Vandaag doen op de campus van de 'University of Chicago' nog steeds heroïsche verhalen de ronde over het drankverbruik van Johnson en Mundell. Vooral in de jaren zestig vormde het voor geen van beide heren een probleem om dit te combineren met een vloedgolf aan publicaties waarvan de meeste vandaag nog altijd staan als een huis. Johnson ging er uiteindelijk vroegtijdig fysiek aan ten onder, Mundell geestelijk. Zijn research viel stil en zijn optreden tijdens zijn colleges werd steeds schaarser en chaotischer. David Warsh schrijft in zijn boek Economic Principals (1993): "Mundells periode als hoofdredacteur van het Journal of Political Economy bracht het prestigieuze tijdschrift aan de rand van de afgrond." In 1971 verliet Mundell de 'University of Chicago'. Het antwoord op de vraag of dit uit eigen wil dan wel verplicht gebeurde, blijft vandaag nog altijd open. In ieder geval kende hij sindsdien een chaotische levenswandel die bulkt van de verhalen zoals we er zelf vijf jaar geleden één aan den lijve konden ondervinden.Van Chicago trok Mundell naar de volstrekt onbekende University of Waterloo in Canada. In 1974 engageerde Columbia University hem. In de hem zo typerende nomadische stijl verscheen Mundell in de daaropvolgende jaren voor korte periodes aan onder meer de University of Southern California, University of Pennsylvania, McGill University en het GIIS in Genève. Italië bezorgde Mundelluiteindelijk opnieuw persoonlijke rust. In het midden van de jaren negentig vestigde hij zich in Monteriggoni, een klein Toscaans dorpje in de buurt van Sienna. Hij huwde er met een jonge Italiaanse en werd in de loop van 1998 zelfs vader. Ook zijn publicatie-ijver hernam. Zijn artikels verschenen niet meer in de eerste plaats in de strak academische tijdschriften. Dit maakte ze er echter niet minder boeiend om. Zo schreef Mundell uitermate interessante bijdragen over de lancering van de Economische en Monetaire Unie en de euro in onder meer The International Spectator en The Wall Street Journal. Met de net vermelde publicaties sloot Mundell nauw aan op één van zijn bijdragen die het Nobelcomité expliciet vermeldde in zijn rechtvaardiging van de keuze voor Mundell. In 1961 publiceerde hij in de American Economic Review het artikel " A Theory of Optimum Currency Area" waarin hij de voorwaarden inventariseert waaronder een monetaire unie optimaal kan functioneren. Hoewel slechts negen pagina's lang en helemaal niet technisch geschreven, vormt dit juweeltje nog altijd absoluut verplichte lectuur voor iedereen die zinnige dingen over het concept monetaire unie wil vertellen. Mundells basisconclusie luidde dat een monetaire unie slechts optimaal kan functioneren als de productiefactoren 'kapitaal' en 'arbeid' perfecte mobiliteit vertonen. Zoals genoegzaam bekend, is binnen de eurozone de factor arbeid sterk immobiel. Dé grote verdienste van Mundell als econoom ligt echter in de ontwikkeling van het Mundell-Fleming-model. In 1995 omschreef Paul De Grauwe dit model als "het werkinstrument bij uitstek om na te denken over macro-economische problemen in een open economie". Dat het model de naam draagt van zowel Mundell als Marcus Fleming heeft alles te maken met het feit dat in het maartnummer van 1962 van de IMF Staff Papers beide economen een soortgelijke analyse brachten die het tot dan toe gangbare macro-economische model van een gesloten economie openbrak en elementen als de betalingsbalans, de wisselkoers en kapitaalmobiliteit integreerde in de analyse. Zowel Fleming als Mundell bouwden in hun analyse essentieel voort op bouwstenen uit het in 1957 gepubliceerd boek The Balance of Payments van de Britse econoom James Meade, laureaat van de Nobelprijs in 1977. Daar waar Meades boek uitblinkt in quasi-onleesbaarheid voor een niet-academicus brachten Fleming en vooral Mundell een analytisch-scherpe en toch erg toegankelijke analyse van de internationale aspecten verbonden aan macro-economische onderzoek. Deze analyse leidde tot diverse beleidsrelevante conclusies waarvan allicht één der voornaamste luidde dat "voor een land dat opteert voor een vaste wisselkoers het monetaire beleid onbruikbaar wordt als mogelijkheid tot sturing van de economie". Wanneer gekozen wordt voor een vlottende wisselkoers, vervalt budgettair beleid in impotentie. Vandaar dat het Nobelprijscomité Mundell aanduidt als de man die aan de basis ligt van de "praktische evaluatie van monetaire en budgettaire beleidsmogelijkheden in een open economie". Al snel trad er bij Mundell een grote onvrede op omtrent de al te mechanistische manier waarop de keynesianen zijn basismodel gebruikten. Hijzelf waarschuwde voortdurend voor de beperkingen van zijn analyseschema. In 1968 publiceerde Mundell het boek International Economics dat zijn voornaamste bijdragen uit de vorige tien jaar bundelde. Naar alle waarschijnlijkheid heeft Mundell, mede wegens die onvrede, met dit boek een hoofdstuk afgesloten. Ook in 1968 publiceerde hij immers het boek Man and Economics waar de aandacht volledig toegespitst is op de micro-economische aspecten van het menselijk gedrag. Wat in de context van de toekenning van de Nobelprijs aan Mundell totaal voorbijging, is de cruciale rol die hij speelde in de totstandkoming van de beruchte supply side-revolutie in het economisch onderzoek én beleid. Reeds in 1971 wees Mundell er in een bijdrage aan de Essays in International Finance op dat de combinatie van hoge inflatie en hoge werkloosheid enkel maar kon verslagen worden door een strakke monetaire politiek te koppelen aan expansief begrotingsbeleid, dit laatste bij voorkeur via belastingverlagingen. Zoals intussen alom geweten, was het precies deze beleidsmix die toenmalig president Ronald Reagan en FED-voorzitter Paul Volcker in 1980 op de rails zetten. De fundamentele beleidszwenkingen uit het begin van de jaren tachtig werken vandaag nog steeds door in de Amerikaanse economie. Terecht omschreef de reeds geciteerde David Warsh Mundell als "het bizarre genie achter de aanbodeconomische revolutie". johan van overtveldt