Wie aan een planning van zijn persoonlijke financiën denkt, denkt soms onwillekeurig aan het vervullen van een welbepaalde 'renteniersbehoefte'. U berekent bijvoorbeeld eerst dat u vanaf uw 65ste jaar een bijkomend inkomen van 1000 euro per maand nodig hebt, bovenop het wettelijk pensioen. Vervolgens berekent u het rentenierskapitaal dat daarvoor nodig is.
...

Wie aan een planning van zijn persoonlijke financiën denkt, denkt soms onwillekeurig aan het vervullen van een welbepaalde 'renteniersbehoefte'. U berekent bijvoorbeeld eerst dat u vanaf uw 65ste jaar een bijkomend inkomen van 1000 euro per maand nodig hebt, bovenop het wettelijk pensioen. Vervolgens berekent u het rentenierskapitaal dat daarvoor nodig is. Die aanpak is uiteraard niet helemaal fout en het biedt zeker een eerste indicatie van de financiële noden en mogelijke oplossingen. Maar het verhaal is verre van volledig. Het is immers een vereenvoudigd model, dat geen rekening houdt met de veel complexere werkelijkheid. De berekening moet dan ook aanzienlijk worden verfijnd. Hieronder bekijken we de factoren die uw financiële planning beïnvloeden. Veel mensen gaan bij het bepalen van hun renteniersbehoefte uit van een maandelijks bedrag. Nochtans gebeuren veel uitgaven niet maandelijks maar halfjaarlijks, jaarlijks of zelfs gespreid over meerdere jaren. Een voorbeeld van een belangrijke halfjaarlijkse uitgave is bijvoorbeeld het reisbudget. Een voorbeeld van een jaarlijkse uitgave zijn de verzekeringen. En een uitgave over meerdere jaren is bijvoorbeeld de aanschaf van een wagen, of het onderhoud van vastgoed. Vooral de aanschaf van een personenwagen kan voor onaangename verrassingen zorgen. Dat komt omdat veel werknemers en zelfstandigen tijdens hun actieve loopbaan met een wagen van de werkgever of de eigen zaak rijden. Op het ogenblik dat ze met pensioen gaan, verdwijnt dat voordeel. Dat betekent niet alleen een serieuze hap uit het leefbudget, maar het is bovendien een kost die ze over verschillende jaren moeten spreiden. Een ander vaak voorkomend misverstand is dat de renteniersbehoefte in vaste bedragen kan worden gevat. Dat klopt niet. U koopt bijvoorbeeld in het begin van de renteniersperiode een mooie auto of het appartement waar u al zo lang van droomt. Of u maakt vlak na uw pensionering een mooie cruise waarvoor u nooit tijd hebt kunnen maken. Vergeet ook niet dat uw medische kosten zullen verhogen tegen het einde van uw renteniersperiode. In het vereenvoudigde model wordt er bijna nooit een onderscheid gemaakt tussen de situatie waarbij beide partners nog leven en die waarbij een van beiden overlijdt. Het wegvallen van een partner kan zowel de inkomsten als de uitgaven in belangrijke mate beïnvloeden. Het verschil kunt u berekenen door een onderscheid te maken tussen familiale cashflows en persoonsgebonden cashflows. In veel modellen vertrekt men van een bepaald basisbedrag om het rentenierskapitaal te berekenen. Maar wie geen rekening houdt met een verwacht inflatiecijfer, riskeert op termijn aan koopkracht te moeten inboeten. De aankoop van een personenwagen vanaf het 65ste levensjaar (2032) veroorzaakt golfbewegingen. Naar het einde van de rit toe wordt de portefeuille volledig opgesoupeerd door de verhoogde medische kosten. De terugval van het vermogen in 2048 is te wijten aan het overlijden van een van de partners. Wanneer u vertrekt van bijvoorbeeld 1000 euro per maand, vergeet u dat er binnen dit budget ook ruimte moet worden voorzien voor luxe-uitgaven. Nochtans zou dat onderscheid nut kunnen hebben. U zou enerzijds een kapitaal kunnen berekenen voor de financiering van de basisbehoeften en anderzijds een kapitaal voor de financiering van luxe-uitgaven. Wilt u een maximaal rendement behalen met een minimum aan persoonlijk risico, dan zou u voor de financiering van de basisuitgaven moeten opteren voor een defensieve beleggingsportefeuille en voor de financiering van de luxe-uitgaven voor een meer dynamisch samengestelde beleggingsportefeuille. We zien veel berekeningen die ervan uitgaan dat het kapitaal behouden blijft. Dat is niet geheel onlogisch, omdat de meeste renteniers - terecht - defensief zijn ingesteld. Maar wie te allen tijde kapitaalbehoud verlangt, moet zijn volledige rentenierskapitaal zeer defensief beleggen. Misschien laat u dan wel een mogelijk hoger rendement schieten voor niks. Als u daarentegen het rentenierskapitaal zou berekenen vanuit de hypothese dat het kapitaal tot nul kan worden herleid, zou u minder kapitaal in de strikte zin van het woord nodig hebben en daarnaast nog een bedrag ter beschikking hebben. Dat vrije gedeelte kan dan zonder noemenswaardig hoger persoonlijk risico worden belegd met een hoger rendement, zodat u uiteindelijk met meer kapitaal eindigt dan wanneer u het behoud van kapitaal wil waarborgen. Misschien gaat u later een onroerend goed verkopen, of uw onderneming. Misschien ontvangt u kapitaal uit een erfenis. Ook die bedragen kunt u in de planning integreren. Veel mensen doen dat niet, omdat ze die uitzonderlijke inkomsten eerder beschouwen als een extra appeltje voor de dorst. Toch lijkt dat ons niet de veiligste redenering. Wie wel rekening houdt met verwachte uitzonderlijke inkomsten, kan zich tevredenstellen met een lager initieel rentenierskapitaal en heeft dus een grotere vrije portefeuille. Dat vrije gedeelte kan zonder noemenswaardige verhoging van het persoonlijk financieel risico worden belegd met een hoger rendement. Zo bereikt u dankzij de integratie van uitzonderlijke inkomsten een hoger eindresultaat dan in de 'veilige' hypothese. Veel mensen hebben, al dan niet uit fiscale overwegingen, hun geld belegd in kapitalisatiebeveks. Dit betekent dat ze daaruit géén inkomsten ontvangen, tenzij ze stukken verkopen. De berekende gemiddelde return zal meestal wel correct zijn, maar houdt geen rekening met mogelijke tussentijdse schommelingen. U zou dus soms genoodzaakt zijn om te verkopen met verlies. Dat is geen reden tot paniek, want omgekeerd zou u ook tussentijds kunnen verkopen met winst. Helaas weten we uit de praktijk dat wie in de beginjaren veel verliezen lijdt, die naderhand vaak niet meer kan inhalen. Om dat te vermijden, lijkt het ons niet onverstandig om steeds voor de eerstkomende jaren stukken aan te kopen die terugkerende inkomsten genereren (spaarrekening, obligaties enzovoort). Een zeer grote berekeningsfout is de hypothese dat een beleggingsportefeuille één bepaalde return oplevert. In theorie is dat weliswaar zo, maar in de praktijk kan het helemaal anders uitlopen. Dat komt omdat u leeft met verschillende beleggingshorizons, waardoor u geregeld uw beleggingen moet aanspreken. U moet immers met uw beleggingsportefeuille de diverse uitgaven op verschillende ogenblikken financieren. Voor de uitgaven die zich de eerste vijf jaar voordoen, zult u wellicht het geld op uw zichtrekening of spaarrekening gebruiken. Voor de uitgaven binnen vijf jaar en meer zult u waarschijnlijk de obligaties aanspreken die op dat ogenblik vrijkomen. Voor de uitgaven binnen tien jaar en meer hebt u waarschijnlijk het aandelengedeelte van de beleggingsportefeuille nodig. En in de tussentijd moet u steeds een deel van de vrijgekomen gelden opnieuw beleggen en weer met verschillende beleggingshorizons. Geen eenvoudige oefening. Ten slotte verdient het aanbeveling om de financiële planning op geregelde tijdstippen bij te sturen en aan te passen aan gewijzigde omstandigheden. Hoeveel een bepaalde belegging oplevert, is in wezen bijzaak. Zolang u weet dat u met een defensief ingeschatte of zelfs vaste lage return een comfortabele toekomst tegemoet gaat, hoeft u niet wakker liggen van de grillen van de beurs. Om een correcte berekening te maken van het benodigde rentenierskapitaal, moet u niet alleen rekening houden met alle individuele cashflows, zowel inkomende als uitgaande, maar ook met het ogenblik waarop u verwacht dat ze zich zullen voordoen. Op die manier komt u zo precies mogelijk te weten welke kapitalen u nodig hebt op welk ogenblik. U komt ook te weten hoeveel tijd er u nog rest om eventueel bijkomend te sparen voor mogelijke tekorten op een bepaald ogenblik. Omgekeerd ziet u hoeveel kapitaal u eigenlijk niet nodig hebt om uw levensstandaard levenslang te onderhouden. Tegelijk moet u rekening houden met de beleggingsopbrengst van elk individueel bestanddeel van uw beleggingsportefeuille en met de beleggingshorizon ervan. De benodigde reserve is het deel van de beleggingsportefeuille dat nodig is om te voorzien in het toekomstige levensonderhoud. In het oranje ziet u de cumulatieve evolutie, in het blauw de jaarlijkse kosten van het verwachte levensonderhoud. Die zorgen ervoor dat de reserve (oranje) uiteindelijk op nul komt op het einde van de rit. Wim Michiels - Jan VanoverbekeVoor de financiering van basisuitgaven kunt u opteren voor een defensieve beleggingsportefeuille en voor de financiering van luxe-uitgaven voor een meer dynamische beleggingsportefeuille.