Mi jn Brussel, al ben je een lelijk huis, toch voel ik mij hier veilig thuis ..." Een paar verzen uit het lied Brussel van Johan Verminnen. Het vertolkt goed het gevoel dat velen tegenover de hoofdstad hebben. Enerzijds een stad die op sommige plaatsen gebukt gaat onder schrijnende armoede en smeulende spanningen tussen verschillende gemeenschappen, en anderzijds een stad met veel pittoreske en kosmopolitische kanten.
...

Mi jn Brussel, al ben je een lelijk huis, toch voel ik mij hier veilig thuis ..." Een paar verzen uit het lied Brussel van Johan Verminnen. Het vertolkt goed het gevoel dat velen tegenover de hoofdstad hebben. Enerzijds een stad die op sommige plaatsen gebukt gaat onder schrijnende armoede en smeulende spanningen tussen verschillende gemeenschappen, en anderzijds een stad met veel pittoreske en kosmopolitische kanten. Volgens de European Cities Monitor (editie 2004) is Brussel de vierde Europese zakenstad, na Londen, Parijs en Frankfurt. Dat heeft natuurlijk in belangrijke mate te maken met de rol van Brussel als Europese hoofdstad en zijn functie als hoofdkwartier van de Navo. En toch wordt over Brussel steen en been geklaagd. De werkloosheid scheert er hoge toppen. Terwijl de werkloosheidsgraad bij de oprichting van het gewest in 1989 nog 12 % bedroeg, is dat cijfer nu gestegen tot 22 %. Dat is een hoger percentage dan Wallonië en mijlenver verwijderd van de Vlaamse cijfers (zo'n 8 %). Een paradox, want de aanwezigheid van de Europese instellingen in Brussel en een aantal internationale organisaties zorgt voor duizenden jobs (zie kader: Internationale bedrijven en instellingen: 300.000 banen). Die werkgelegenheid zorgt natuurlijk voor een sterke groei van het Brusselse bruto binnenlands product (bbp). Volgens het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) steeg het aandeel van de Brusselse economie in het Belgische bbp de voorbije tien jaar van 19 % tot 19,3 % in 2004. Dat lijkt niet veel, maar het aandeel van Antwerpen daalde van 12,4 naar 11,3. De voorbije tien jaar kende het Brussels Gewest een groei die vergelijkbaar was met die van het Vlaams Gewest. Maar wie de cijfers van nabij bekijkt, merkt dat er wel degelijk een probleem is. In 2004 kende het gewest slechts een groei van 1,3 %, terwijl die in Vlaanderen (2,2 %) en ook Wallonië (1,7 %) hoger lag. In 2003 was de situatie nog bedroevender, met een stijging van 0,4 %. Dat is onder meer te verklaren door de verschuiving van de economische activiteit naar de Brusselse rand, en vooral de streek rond Zaventem. Die regio kende het voorbije decennium de sterkste groei in heel Vlaanderen. Maar hier geven de jongste regionale rekeningen aan dat de groeimotor ook in de rand begint te sputteren (de groei ligt er voor het eerst onder het Vlaamse gemiddelde). Het Brusselse aandeel in het bbp beloopt dus meer dan 19 %, met een bevolkingsaandeel van amper 10 %. Maar dat geeft een vertekend beeld. Brussel is slechts goed voor 11,2 % van het 'primaire inkomen' (wat de Brusselaars verzamelen dankzij arbeid en vermogen). Het verschil is wat de pendelaars meenemen. Enkele jaren geleden lag de gemiddelde opbrengst per inwoner in de personenbelasting in Brussel onder het Belgische gemiddelde. In 1996 lag dat er nog boven en in 1970 lag het 60 % hoger. De neerwaartse trend is te verklaren door de vlucht naar de Brusselse rand. Intern is de stad ondertussen aan het marginaliseren. "Brussel is een enorme paradox," zegt Jan Van Doren, adjunct-directeur bij het kenniscentrum van Voka. "Een werkloosheid van 22 % lijkt moeilijk te begrijpen als Brussel zichzelf een economisch centrum noemt. De jobs in Brussel - 640.000 - worden voor ruim de helft ingenomen door niet-Brusselaars, waarvan nagenoeg 220.000 Vlamingen. Bij de 90.000 Brusselse werkzoekenden stapelen de problemen zich op. Negentig procent van de werklozen kent geen Nederlands. Zeventig procent van de leerlingen verlaat het Franstalige technisch en beroepsonderwijs zonder diploma."Laaggeschoolden komen niet aan de bak, terwijl er in Brussel met zijn internationale karakter wel plaats voor is (horeca, poetsdiensten, koeriers...). Bovendien werkt de BGDA - de Brusselse tegenhanger van de VDAB - niet goed en is er een gebrekkige mobiliteit van werknemers tussen Brussel en de rand. Al is er nu wel een samenwerkingsakkoord afgesloten tussen de VDAB en de BGDA om vacatures uit te wisselen. De sociaaleconomische problemen waarmee Brussel kampt, worden door de lokale politici aangegrepen om meer geld te vragen van de federale overheid. De argumenten die daarvoor worden aangehaald, zijn klassiek: Brussel heeft een internationale functie, Brussel kampt met specifieke problemen, maar vooral: Brussel is te klein om als volwaardig gewest te functioneren en dat moet financieel gecompenseerd worden. Het calimerocomplex, weet u wel. In een pas verschenen boek van Brussels volksvertegenwoordiger Jan Béghin (SP.A) (*) blijkt dat Brussel slechts een klein gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting krijgt die door de federale overheid over de drie gewesten worden verdeeld. Na correctie via een solidariteitsmechanisme bedraagt het doorgestorte bedrag per inwoner in Brussel 734,67 euro. In Vlaanderen is dat 838,76 en in Wallonië 921,51 euro. Het Brussels Gewest wordt dus ondergefinancierd, is de conclusie van Béghin. Een stelling die niet klopt. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft niet echt te klagen over de middelen die het van andere overheden krijgt of via eigen belastinginkomsten binnenhaalt. Het argument dat Brussel extra middelen nodig heeft voor haar hoofdstedelijke en internationale functie bijvoorbeeld klinkt hol. Jaarlijks krijgt Brussel 100 miljoen euro om die rol te vervullen. Komt er nog bij dat die middelen in het recente verleden werden aangewend voor andere zaken dan de hoofdstedelijke rol. Zo zou een deel van het geld worden besteed voor het zwembadproject van SP.A-minister Pascal Smet. Het is dus een blanco cheque. Bovendien kregen de deelstaten met de Lambermont- akkoorden van 2001 extra middelen. Er kwamen bevoegdheden bij en ook voor de gemeenschappen (bevoegd voor persoonsgebonden materies als onderwijs) kwamen er extra middelen vrij. Jan Van Doren: "Er was dus sprake van een herfinanciering van de gemeenschappen en in het bijzonder van de Franse Gemeenschap. De Franse - en ook de Vlaamse door de wafelijzerpolitiek - heeft daar aanzienlijke bonussen uitgehaald."De extra ademruimte voor de Franse Gemeenschap was meer dan welkom. Het Franstalige onderwijs heeft jarenlang met financiële problemen gekampt. Dat bracht in Brussel mee dat problemen van de Franse Gemeenschap op de negentien Brusselse gemeenten werden afgewenteld. Deze situatie blijft voortduren door het speciale karakter van het Franstalige onderwijs in Brussel. Dat zit zo. Wat het onderwijs betreft, bestaat er in Brussel een uitgebreid net van het gemeentelijk onderwijs en wentelt de Franse Gemeenschap veel uitgaven af op de gemeenten. De gemeenschapsscholen (aan Franstalige kant tenminste) zijn in Brussel minder ontwikkeld en de gemeentescholen nemen die taak over. Uit een jaarlijkse analyse die Dexia van de lokale financiën maakt, blijkt dat de Brusselse gemeenten relatief meer uitgeven aan onderwijs dan die in Vlaanderen en Wallonië. De uitgaven per kop voor onderwijzend personeel bedroegen voor de periode 2004-2005 in Brussel 240 euro. In Vlaanderen was dat 86 euro. En dat is zelfs gecorrigeerd als we een vergelijking maken met gemeenten van meer dan 50.000 inwoners. Dan lagen die uitgaven met 208 euro nog altijd onder de Brusselse score. Legitimeren die hoge uitgaven extra inkomsten? Jan Van Doren betwijfelt het. Brussel haalt door zijn specifieke rol ook extra inkomsten binnen. Dat is het zogenaamde hoofdstedelijke dividend. Uit een onderzoek van 2001 bleek dat het gewest toen over 421 miljoen euro meer middelen beschikte dan de andere gewesten. En de negentien gemeenten hadden 199 miljoen euro meer middelen. Het hoofdstedelijke dividend werd zo op 620 miljoen euro geraamd. Ondertussen is dat dividend niet afgenomen, integendeel. Bovendien moeten we een aantal andere bonussen die Brussel krijgt, in rekening nemen. Volgens de berekeningen van Trends bedraagt het Brusselse hoofdstedelijke dividend anno 2006 op zijn minst 1 miljard euro. Hoe komen we aan dat cijfer? Laten we eerst naar de gemeenten kijken. Het dividend kan op een tamelijk eenvoudige manier berekend worden. Op basis van het Dexiaonderzoek naar de lokale financiën (cijfers van 2005) beschikken we over de totale ontvangsten van alle gemeenten per gewest. We maken een gewogen gemiddelde van de ontvangsten van de gemeenten van het Vlaams en Waals Gewest en maken een vergelijking met Brussel. Een snelle berekening toont aan dat de inkomsten per inwoner voor de Brusselse gemeenten 501 euro hoger liggen dan die van de niet-Brusselse gemeenten. Dat betekent 501 miljoen euro extra middelen in Brussel (501 x 1 miljoen inwoners), alleen al op gemeentelijk vlak. Als we naar de belastingopbrengsten kijken van de Brusselse gemeenten, dan blijken die vooral uit de opcentiemen op de onroerende voorheffing te komen. Die zijn goed voor bijna 60 % van de belastinginkomsten, terwijl dat in Vlaanderen en Wallonië slechts 40 % is. Dat komt voornamelijk door de hogere belastbare grondslag van het kadastraal inkomen door de concentratie van gebouwen en de relatief hoge prijzen van vastgoed. De opcentiemen op de onroerende voorheffing zijn op een dubbele manier een belangrijke bron van inkomsten. Ze liggen in Brussel hoger, terwijl de aanslagvoet van de aanvullende belasting op de personenbelasting (een ander belangrijk onderdeel van de gemeentelijke belastingsontvangsten) in Brussel een stuk lager ligt dan in Vlaanderen en Wallonië (6,68 % tegen meer dan 7 % als nationaal gemiddelde). Brusselse gemeenten halen dus veel van hun belastingen uit vastgoed en dat is een voordeel van hun centrumfunctie. Brusselaars worden hier zeker niet leeg-gemolken. Veel eigenaars van gebouwen in Brussel zijn immers niet-ingezetenen. Dezelfde redenering geldt ook voor het gewest. De 'arme' bevolking heeft niet zo'n weerslag op de toestand van het gewest. Met de Lambermontakkoorden wou de regering ook meer doen voor de gewesten en er werden een aantal belastingen geregionaliseerd zoals registratierechten en verkeersbelastingen. Maar die operatie moest wel budgettair neutraal zijn in de verhouding federaal-regionaal. Dat wil zeggen: wat er extra aan gewestbelastingen binnenkwam, werd afgetrokken van de dotatie die via de personenbelasting werd overgeheveld naar de gewesten. "Maar men heeft het niet volledig gecompenseerd," zegt Van Doren. "Want wat men aftrekt van de personenbelastingdotatie, groeit minder sterk dan de overgedragen gewestbelasting. Het hangt ook allemaal af van het fiscale beleid. Als een gewest de registratierechten verlaagt, kan dat voor meer opbrengsten zorgen."En dan is er nog de solidariteitsbijdrage die Brussel krijgt voor zijn lagere opbrengst van de personenbelasting dan het nationale gemiddelde. Die bijdrage is momenteel 174 miljoen euro. Dat stelt de cijfers die Jan Béghin in zijn boek naar voren brengt in een ander daglicht. Het klopt dat de Brusselaars per capita 100 euro minder uit de opbrengst van de personenbelasting halen dan de Vlamingen, en 200 euro minder dan de Walen. Maar een aantal zaken moeten budgettair neutraal blijven. Dat is de zogenaamde negatieve term die duidt op de vermindering van de aan de gewesten overgedragen personenbelasting bij wijze van compensatie voor de vanaf 2002 geldende nieuwe gewestbelastingen. En daar haalt Brussel naar verhouding meer uit dan de andere gewesten. Er bestaat dus ook op gewestelijk vlak een hoofdstedelijk dividend. De beste manier om dat te berekenen, is de ontvangsten per capita voor het Vlaams en het Waals Gewest te bekijken en daar een (gewogen) gemiddelde van te maken. We vermenigvuldigen deze gemiddelde ontvangsten per capita (Vlaanderen-Wallonië) met het aantal Brusselaars en vergelijken het resultaat met de werkelijke ontvangsten van het Brusselse Gewest. Het verschil is het hoofdstedelijke dividend: 469 miljoen euro. Dit dividend heeft vooral te maken met de relatief hoge gewestbelastingen in Brussel (alweer vooral ten gevolge van hoge vastgoedprijzen, waaraan registratierechten en successierechten zijn gerelateerd). Een ander snoepje dat uit de Brusselse begroting blijkt, is de 'dode hand'. Die komt neer op een gedeeltelijke compensatie voor de vrijstelling van onroerende voorheffing voor gebouwen van openbare instellingen ten gunste van het Brussels Gewest. Dit jaar zou dat rond de 39,8 miljoen euro moeten draaien. De theorie dat Brussel niet genoeg geld krijgt, klopt dus niet. Er werden bovendien in het verleden geregeld samenwerkingsakkoorden afgesloten tussen het gewest en de federale regering. Zoals het Belirisprogramma, dat in de jaren negentig de Brusselse infra-structuur moest aanpassen aan de internationale noden. Tussen 1993 en 2003 werd daarvoor een budget voorzien van meer dan 691 miljoen euro (gemiddeld 60 miljoen per jaar). Meer dan 567 miljoen euro werd daarvoor ook daadwerkelijk vastgelegd. Tussen 2005 en 2007 werd zelfs een meerjarenbudget van ongeveer een half miljard euro voorzien. Als we deze cijfers samenvoegen met het gemeentelijk en gewestelijk dividend, komen we tot een hoofdstedelijk dividend van 1,13 miljard euro per jaar. In deze hele analyse hebben we de transfers in de sociale zekerheid buiten beschouwing gelaten. In dat geval zou de Brusselse bonus nog een stuk hoger liggen (zie kader: Transfers naar Brussel). De hoge inkomsten worden natuurlijk verantwoord door hoge uitgaven, zo blijkt uit een studie van de universiteit van Namen. Brussel geeft per inwoner 49 % meer uit dan Vlaanderen, is daar de conclusie. De uitgaven liggen in Brussel weliswaar veel hoger, maar dat leidt nog niet tot de nodige efficiëntie. Brussel heeft dus wel degelijk een probleem, maar het aanreiken van de oplossingen is niet simpel. Het heeft geen zin dat Brussel opnieuw langs de kassa passeert. "Voordat Brussel extra middelen vraagt of krijgt, zou men beter een goede audit maken van die hoofdstedelijke functie," zegt Jan Van Doren. "Kernvraag is dat er geen efficiëntieverbeteringen mogelijk zijn binnen Brussel zelf. En dan gaat het over die versnippering van gemeentelijke bevoegdheden. Die doen de uitgaven aandikken." In Brussel doen zich door die versnippering absurde situaties voor, zoals een weg die plots versmalt wanneer er een gemeentegrens wordt overschreden. Een overdracht van een aantal bevoegdheden naar het gewest en een betere samenwerking tussen gemeenten dringt zich dus op. Het onderscheid, of de onduidelijkheid van het onderscheid, tussen gewest en gemeente is een probleem. Een fusie van de negentien Brusselse gemeenten werd al meer dan eens voorgesteld, maar botste op een njet (zie kader: Bedrijven hekelen logge structuur). Voka pleit al langer voor een platform, waarbij niet alleen Brussel maar ook andere gewesten betrokken zijn om mee te beslissen over een aantal investeringen in de hoofdstad. Dat kan via een hoofdstedelijke commissie. "Voor een aantal grensoverschrijdende problemen moet je verder kijken dan het gewest," zegt Van Doren. En dan is er nog de arbeidsmarkt, waar de situatie schrijnend is. De Brusselse werklozen volgen amper opleidingen. Beroepsopleidingen die de VDAB in Brussel organiseert, worden maar voor 30 à 35 % gevolgd door Brusselaars. De rest zijn Vlamingen uit de rand. Blijkbaar stuurt de BGDA te weinig werkzoekenden door voor een opleiding. Extra opleiding is nochtans nodig voor de massa drop-outs. Net op een ogenblik dat de diensteneconomie een sterke vraag kent, zijn er te weinig mensen beschikbaar met de juiste talenkennis en de gepaste werkethiek. Negen procent van de uitgaven van het Brussels Gewest gaat naar tewerkstelling, maar driekwart van de middelen zijn bestemd voor nepstatuten (vooral gesco's of gesubsidieerde contractuelen). En er is het zwartwerk. Een vaak gehoorde kritiek in ondernemerskringen is dat de nadruk in Brussel vooral ligt op buurtontwikkeling, niet op economische ontwikkeling. Ondernemers blijven in de kou staan en de fiscale druk is zwaar. Er zijn in totaal 800 gemeentelijke taksen die iedereen treffen. Een recente studie toont aan dat de belastingen in Brussel (lokaal en regionaal) gemiddeld 50 % hoger liggen dan in de rand. (*) Jan Béghin (red.), Armoede in Brussel, Epo, 2006. Alain Mouton