In de warme zomer van 1914 werd het steeds duidelijker dat er oorlog zou uitbreken in Europa. De beursautoriteiten in Brussel beslisten op maandag 27 juli de beurs voor onbepaalde tijd te sluiten. Op 4 augustus viel Duitsland België binnen. De Brusselse beurs ging officieel pas op 5 februari 1919 weer open.
...

In de warme zomer van 1914 werd het steeds duidelijker dat er oorlog zou uitbreken in Europa. De beursautoriteiten in Brussel beslisten op maandag 27 juli de beurs voor onbepaalde tijd te sluiten. Op 4 augustus viel Duitsland België binnen. De Brusselse beurs ging officieel pas op 5 februari 1919 weer open. De officiële sluiting betekende niet het einde van de beurshandel. Die verhuisde naar de cafés rond het beursgebouw, en op een bepaald moment zelfs naar een leegstaande danszaal. Er waren in die jaren geen officieel vastgestelde beurskoersen, maar enkele Brusselse kranten publiceerden wel de onofficiële koersen. Ondanks verwoede pogingen van de Duitse bezetter weigerden de beurshandelaars de Brusselse beurs weer te openen. Tijdens de oorlogsjaren zaten de beurskoersen in stijgende lijn. Vooral steenkoolaandelen -- de mijnen bleven produceren -- en de aandelen van koloniale en buitenlandse bedrijven - die ver van het front opereerden -- waren populair. De verhandelde volumes lagen vaak zelfs hoger dan vóór de oorlog. Ondanks de stijgende koersen bracht de oorlog ook serieuze problemen met zich. De bolsjewistische revolutie in Rusland in 1917 zadelde de Belgische beleggers met een financiële kater op. Onder impuls van Frankrijk, dat veel geld investeerde in zijn bondgenoot Rusland, had Belgisch kapitaal vanaf de jaren 1880 en massede weg naar die groeimarkt gevonden. Tussen 1874 en 1913 ging een kwart van de Belgische buitenlandse investeringen, 743 miljoen frank, naar Rusland. Volgens Frans Buelens van de Universiteit Antwerpen vloeiden de grootste bedragen naar de metaal- en de mijnbouwsector. De snelle ontwikkeling van de Russische spoorwegen vereiste grote hoeveelheden staal en steenkool. De ijdele hoop op compensatie of op de val van het leninistisch regime bleef lang bestaan. Nog in 1930 schreef het beursblad Banque et Bourse dat "de dag nabij is, geloof ons, dat het nieuws 'Het Sovjetregime is gevallen!' over ieders lippen zal gaan". De Belgische belegger was begin twintigste eeuw niet vies van enige speculatie. Naast Rusland was ook Argentinië een populaire bestemming. Ons land had nauwe banden met Argentinië dankzij de export van Argentijnse wol, huiden, vlees en graan naar Antwerpen. In de jaren 1887-1889 bereikte de internationale speculatie in Argentijnse aandelen en obligaties een hoogtepunt, gevoed door de hoge verwachtingen over de groei van het land. Een politieke crisis in juni 1890 maakte een abrupt einde aan die speculatie. Toch bleef Argentinië in de daaropvolgende jaren populair. Via de Antwerpse handelskringen en enkele Brusselse financiële instellingen, zoals de Société Générale de Belgique en de Banque de Bruxelles, bleef Belgisch kapitaal naar het land stromen. De populariteit van exotische bestemmingen als Rusland of Argentinië paste in de tijdsgeest. De beurs van Brussel maakte in de decennia voor de oorlog een ware bloeiperiode mee. Dankzij nauwe relaties met Parijs speelde Brussel zelfs internationaal mee, geholpen door een lage belasting op kapitaal en een liberale wetgeving. Al in 1867 werd het beurswezen vrijgemaakt en in 1873 gebeurde hetzelfde met de oprichting van naamloze vennootschappen. In de jaren 1873 tot 1913 werden 8702 nieuwe nv's opgericht, tegenover 553 tussen 1819 en 1873. Dat vertaalde zich in een sterke stijging van het aantal beursgenoteerde effecten in Brussel, van 400 in 1875 naar 2200 in 1913. Ook de economie leefde in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog op. Na een lange recessie brak in de jaren 1890 een expansieperiode aan, met dank aan nieuwe industriële praktijken, de introductie van nieuwe producten en technologieën, en een toename van de internationale vrijhandel. Tegelijk vierde het Europese imperialisme hoogtij, en vond Europees kapitaal gretig zijn weg naar Zuid-Amerika, Afrika en Azië. Een koortsachtig en optimistisch ondernemingsklimaat maakte zich in die jaren meester van de Europeanen en de Belgen. Naarmate de Belgische welvaart toenam, steeg ook de speculatieve koorts. De goede huisvader belegde in die tijd vooral in vastrentende effecten uitgegeven door de Belgische staat, de provincies en de steden. De oudere sectoren, bijvoorbeeld de metaalindustrie en de steenkoolmijnen, zaten toen al in het verdomhoekje. Als erfgenamen van de eerste Industriële Revolutie waren ze hard getroffen door internationale concurrentie en de lange crisis van de jaren 1870. Ook de banken zaten in hetzelfde schuitje, en werden in de pers omschreven als zijnde 'te talrijk en te broos'. De 'zekere' sectoren van die tijd waren de tramdiensten, de buurtspoorwegen, en verlichting met gas of elektriciteit. The next big thing moest daarom in het buitenland gezocht worden. In groeilanden als Rusland of Argentinië. Congo was misschien net iets te speculatief. Het land was pas in 1908 een Belgische kolonie geworden, en de Congolese koloniale maatschappijen waren nog te onzeker. Volgens Jan Annaert van de Universiteit Antwerpen werden die pas na de Eerste Wereldoorlog populair, toen duidelijk werd dat de kolonie rijk was aan grondstoffen. Die speculatieve koorts ging onvermijdelijk gepaard met misbruiken. De liberale wetgeving over de oprichting van nv's leidde tot de oprichting van fictieve vennootschappen met weinig of geen eigen kapitaal. De aandelen van deze nv's werden gehypet en aan hoge koersen naar de beurs gebracht. Louche wisselagenten (beurshandelaars) dupeerden hun klanten door de koersnoteringen onderling te manipuleren, verkeerde informatie door te spelen, of aan kopers de hoogste dagkoers aan te rekenen en aan verkopers de laagste dagkoers te geven. Dat het beroep openstond voor iedereen hielp niet om de kwaliteit van de wisselagenten op te krikken. Het toezicht op de wisselagenten liet te wensen over. De omkoopbaarheid van de Beurscommissie -- de officiële waakhond -- was een publiek geheim. In het parlement waren er geregeld interpellaties om de praktijk aan de kaak te stellen. Net voor de oorlog was een gerechtelijk onderzoek ingesteld naar de corruptiepraktijken van enkele van de commissieleden. Ook die andere waakhond, de financiële pers, schoot zwaar tekort. Er waren enkele serieuze dagbladen die hun lezers waarschuwden voor de misbruiken, maar een deel van de vooroorlogse financiële pers was notoir omkoopbaar. Het tarief voor artikels -- 2 frank per lijn -- werd zelfs gewoon op de voorpagina afgedrukt. Tussen 1863 en 1914 zagen 350 nieuwe beursbladen het daglicht, waarvan vijftien in het Nederlands. Volgens Michel Dumoulin (UCL) werden zeker 80 van de 329 Brusselse beursbladen gepubliceerd onder beschermheerschap van wisselagenten met als enige doel aandelen aanprijzen. MATHIAS NUTTINTijdens de oorlogsjaren zaten de beurskoersen in stijgende lijn