Vanaf 1 november kunnen de Belgen officieel biodiesel tanken. Op papier. Want in de praktijk moeten de fabrieken nog gebouwd worden. Dat mooie staaltje van newspeak bewijst opnieuw hoe ernstig de federale overheid haar klimaatbeleid wel neemt.
...

Vanaf 1 november kunnen de Belgen officieel biodiesel tanken. Op papier. Want in de praktijk moeten de fabrieken nog gebouwd worden. Dat mooie staaltje van newspeak bewijst opnieuw hoe ernstig de federale overheid haar klimaatbeleid wel neemt. Ruim drie jaar na de Europese richtlijn legde Didier Reynders (MR), minister van Financiën, begin oktober de eerste quota vast. Ons land opteert namelijk voor een marktregulerende aanpak. Zo hopen onze beleidsvoerders een eigen industrie uit de grond te kunnen stampen. Maar vandaag heerst alleen verwarring als gevolg van laattijdige en dubbelzinnige beslissingen. Zo hebben de uitverkoren bedrijven - Proviron (Oostende), Oleon (Ertvelde), Néochim (Feluy) en Flanders Bio Fuels (Gistel) - slechts de toelating gekregen om de komende elf maanden 286 miljoen liter accijnsvrije biodiesel aan de oliemaatschappijen te verkopen. De Europese aanbesteding voor het zevenjarige contract voor 2,27 miljard liter daarna loopt nog. De vier musketiers zijn dus niet zeker van een verlenging van hun contract. De kostprijs voor de bouw van een biodieselfabriek loopt echter al gauw op van 25 tot 100 miljoen euro. Wie durft zulke sommen te investeren zonder enige zekerheid van een voortbestaan op lange termijn, vooral als je weet dat het consortium Bioro-Cargill-Vanden Avenne - traditionele sterkhouders uit de sector - nog op de loer ligt? Wat de groene benzine betreft, ziet de situatie er iets beter uit. Daar kregen Bio Wanze (Wanze), Alco Bio Fuel (Gent) en Tate & Lyle (Aalst) een vergunning voor de productie van 1485,5 miljoen liter bio-ethanol voor de periode 2007-2013. Maar dat is een druppel op een hete plaat. Door al het getreuzel dreigt ons land opnieuw de boot van alternatieve energiebronnen te missen. Nochtans biedt deze milieusector mooie perspectieven voor onze kenniseconomie. Biobrandstoffen zijn een goede zaak. Enerzijds maken ze België minder afhankelijk van de olieproducerende landen. Anderzijds verschaffen ze tewerkstelling aan onze nationale landbouw. Dat is een mooie diversificatie voor een sector die al sinds mensenheugenis bij de gratie van subsidies leeft. Een dure grap voor de nationale én Europese schatkist. Toen de Boerenbond haar eeuwfeest organiseerde, lanceerde Trends een revolutionair voorstel voor een duurzame oplossing (zie www.trends.be): schaf de staatssteun aan de landbouw af, school de agrariërs om tot parkwachters en voer het voedsel uit de Derde Wereld in. Drie vliegen in één klap: goed voor de economie, de ecologie én de ontwikkelingshulp. Professor Filip de Kam (Universiteit van Groningen) zorgde toen voor de wetenschappelijke onderbouw. Hij telde de subsidies voor de boeren samen met hun milieukosten, en trok daar dan de toegevoegde waarde van de landbouw van af. De uitkomst was negatief. De redenering geldt nog altijd. Als overgangsfase biedt de teelt van biobrandstoffen soelaas. Maar dan moet de overheid wel de vrije markt laten spelen en geen knieval maken voor de traditionele leenheren uit de agrarische sector, die vandaag nog altijd gedomineerd wordt door monopolisten zoals Südzucker en Cargill. Eric Pompen