Diane Coyle, Seks, drugs en economie. Thema, 265 blz., 25 euro.
...

Diane Coyle, Seks, drugs en economie. Thema, 265 blz., 25 euro. Het waanzinnige verschil in salaris tussen een leraar en een voetbalster als David Beckham laat zich niet verklaren door een verschil in maatschappelijke waardering, maar door de schaalvoordelen in het beroep. "Dat heeft vooral te maken met technologie (aanbodzijde) en misschien enigszins met het feit dat wij eerder sportsterren vereren dan leraren (vraagzijde)," verklaart Diane Coyle. In Seks, drugs en economie geeft de Britse journaliste ( The Independent, BBC) en consultant economieles, maar dan op niet bepaald conventionele manier. Via verleidelijke onderwerpen en wervende titels wil ze de interesse van een ruim publiek wekken. Ondertussen legt ze de essentie van de economische wetten uit. Zo gebruikt ze sportsterren als David Beckham, golffenomeen Tiger Woods en basketbalkeizer Michael Jordan om loonverschillen, arbeidsmarkt en concurrentieprincipes toe te lichten. Sport is wel degelijk big business. Volgens een schatting van de Europese Commissie vindt 3 % van de wereldhandel in en rond sportactiviteiten plaats. Met sportartikelen, tv- en reclame-inkomsten, weddenschappen en entreekaarten erbij is sport goed voor 6 % van het bruto nationaal product (BNP) van de westerse landen. Dat is méér dan de hele agrarische sector en zelfs méér dan de auto-industrie. Sporters werken niet harder voor een tv-publiek van 100 miljoen dan één van 1 miljoen. Maar hoe groter het publiek, des te beter oogsten ze. Er is dan sprake van spectaculaire schaalvoordelen, net als in de film- en muziekbusiness. Bovendien kijkt het publiek liever naar sterren dan naar onbekenden. Zo versterkt de vraag het superstereffect. Dat effect werd al door de econoom Sherwin Rosen ontwikkeld. Hij noemde het de superstereconomie en zijn theorie werd bekend als het the winner takes all-fenomeen. Hoe belangrijker de uitzendrechten in een sporttak, hoe sterker het superstereffect. Het zit allemaal in de omvang van het publiek dat je kan bereiken en begeesteren. De prestaties van sporters kunnen ook objectief geregistreerd worden. Dat vormt een groot contrast met andere sectoren, waar grote groepen mensen in dezelfde salarisschaal zitten en waar de productiviteit per persoon en zelfs per groep doorgaans moeilijk vastgesteld kan worden. Coyle koppelt daar de bedenking aan vast dat de beste sporters ook best betaald worden, voor haar een bewijs dat de arbeidsmarkt werkt. Ze vergeet wel even dat sommige sporters ook doorhebben dat ze niet alleen met de spieren, maar ook met pr en marketingknepen hun waarde drastisch kunnen verhogen. Kijkt u, bijvoorbeeld, liefst naar een absolute klasbak als profwielrenner Alexandre Vinokourov of naar een woelwater als Frank Vandenbroucke? Luc De Decker