Legt olie van 50 dollar per vat het economische herstel over de knie? Als de olieprijs tegen het einde van het jaar terugvalt naar ongeveer 35 dollar per vat, valt de schade nog mee. Maar als 50 dollar de richtprijs blijft tot na de winter, wordt een forse groeivertraging het lot van de Belgische economie. Dan mag de regering voor volgend jaar een nieuwe begroting opmaken.
...

Legt olie van 50 dollar per vat het economische herstel over de knie? Als de olieprijs tegen het einde van het jaar terugvalt naar ongeveer 35 dollar per vat, valt de schade nog mee. Maar als 50 dollar de richtprijs blijft tot na de winter, wordt een forse groeivertraging het lot van de Belgische economie. Dan mag de regering voor volgend jaar een nieuwe begroting opmaken. Want al kost een vat ruwe olie in dollars van vandaag nog altijd maar 60 % van het recordniveau in 1981 en al is onze economie anno 2004 een stuk minder afhankelijk van olie, de prijs van het zwarte goud doet er nog altijd toe. Het Internationaal Energieagentschap ( IEA), het Internationaal Monetair Fonds ( IMF) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling ( Oeso) staken de koppen bij elkaar en fabriceerden een model om het effect van de stijgende olieprijs op de economische activiteit te schatten. Voedt dat model met een volgehouden stijging van de olieprijs met 10 dollar per vat en er rolt aan de andere kant een groeivertraging van 0,5 % voor de eurozone uit tijdens het eerste en tweede jaar van de gestegen prijzen. Omdat tijdens de eerste helft van 2004 de olieprijs gemiddeld 33 dollar (zie grafiek: Olieprijs in dollar van 2003) per vat kostte, impliceert een gemiddeld prijspeil van 50 dollar tot na de winter dat de groei in euroland met bijna 1 % wordt afgeroomd. "In het vierde kwartaal van dit jaar en in het eerste kwartaal van 2005 zullen we de groeivertraging door de huidige prijsstijgingen al voelen. Begin 2005 lopen we kans op een recessie in euroland," zegt Eric Chaney, conjunctuuranalist van zakenbank Morgan Stanley. De regering ging bij de begrotingsopmaak voor 2005 nog uit van 2,5 % groei volgend jaar, maar mogelijk blijft het dus bij 1,5 tot 2 %. De conjunctuurbonus die de regering aan de inkomstenkant schreef, dreigt bij aanhoudend hoge olieprijzen dus een malus te worden. En dan mag ze bij de begrotingscontrole in maart op zoek naar nog eens 1 tot 2 miljard euro. Fors stijgende olieprijzen zijn op zich misschien niet in staat de conjunctuur de nek om te wringen, maar gaven in het verleden vaak het startschot voor een forse groeivertraging of recessie. Dat was zo in 1973-1974, in 1979-1980 en recenter in 1999-2000, toen de olieprijs (deels ook door de verzwakking van de euro) in twee jaar tijd steeg van 8,5 euro eind 1998 tot 38 euro in november 2000. Eric Chaney: "Deze verviervoudiging van de olieprijs was eigenlijk een mini-olieschok en kostte euroland 0,9 % van de groei in 1999 en in 2000. Maar tegelijk zorgde de zwakke euro voor extra zuurstof en werd op die manier het negatieve effect van de gestegen olieprijs geneutraliseerd." Euroland wisselde intussen zijn zwakke euro voor een sterke en tot begin 2004 fungeerde de sterke euro als schild tegen de stijgende olieprijzen. Dat werd dan weer geneutraliseerd door het negatieve effect van een sterke euro. Maar in 2004 kon de euro de snel stijgende olieprijs niet meer volgen en is ook euroland dus volop blootgesteld aan stijgende olieprijzen in dollar. Bovendien is de economie van de eurozone, en de Belgische in het bijzonder, nog altijd behoorlijk gevoelig voor de stijgende olieprijzen. Dat komt omdat euroland nauwelijks olie produceert en dus een netto-invoerder van olie is. De grafiek ( België is olie-afhankelijk) toont dat de eurozone 1,5 vat olie per dag moet invoeren per miljoen dollar van het bruto binnenlands product (BBP). België moet daarvoor zelfs 2,5 vaten per dag invoeren. "Amerika is minder gevoelig voor stijgende olieprijzen, omdat het zelf een producent van ruwe olie is. Ze hoeven maar 1 vat per miljoen dollar BBP invoeren. Zuid-Korea is wel heel gevoelig en kent intussen al een forse groeivertraging," zegt Eric Chaney. Kernvraag is dus: hoe lang blijft de olieprijs zo hoog? De forse prijsstijging bewijst dat er wat aan de hand is. Volgens de pessimisten zullen we moeten leren leven met een olieprijs die minimaal 40 dollar bedraagt en af en toe door het dak schiet. Oorzaak: te weinig reservecapaciteit en te weinig investeringen in nieuwe productie en raffinagecapaciteit op een moment dat de olievraag fors stijgt, vooral onder impuls van China. De oliemarkt is in deze visie dus een structureel krappe markt, waarbij het minste risico op een verstoring van het aanbod de prijs nog verder omhoog jaagt. De optimistische visie vertrekt van de vaststelling dat er tot op heden geen aanbodprobleem is geweest. De westerse strategische reserves liggen op hun historische gemiddelde, en het aanbod kan de vraag makkelijk volgen. In 2003 was er een productie van 79,6 miljoen vaten, en in het tweede kwartaal van 2004 werd er op jaarbasis 82,3 miljoen opgepompt, een inspanning die vooral te danken is aan de Opec. De huidige reservecapaciteit is misschien laag, maar volgens het IEA zal het aanbod ook in 2005 de vraag kunnen volgen. En als de prijs toch hoog blijft, zal op termijn de vraag naar olie verminderen. De consumenten gaan namelijk reageren op het prijs- signaal door minder te verbruiken en door over te schakelen op andere energiebronnen. Dat is trouwens de grote schrik van de Opec. Als de VS bijvoorbeeld even zuinig met olie omspringt als Europa, hebben ze niet eens olie uit het Midden-Oosten nodig om hun oliedorst te stillen. Daarnaast is een wereldwijde economische groeivertraging het paardenmiddel om de vraag af te romen en de prijs te kelderen. Hoge olieprijzen mogen dan, behoudens zware aanbodschokken, een tijdelijk fenomeen zijn, op kortere termijn kunnen ze nog heel wat economische ravage aanrichten. Daan Killemaes