De auteur is hoofdeconoom van Petercam Vermogensbeheer.
...

De auteur is hoofdeconoom van Petercam Vermogensbeheer. Reacties: visienoels@trends.be Nieuwe automodellen zeggen ons iets over de smaak en de voorkeur van de consument zo'n vijf jaar ervoor. Het is dan ook geen toeval dat alle merken vandaag hun 'zeepbelauto's' naar de markt brengen. Het zijn de populaire Sports Utility Vehicles: de vierwielaangedreven, benzinezuipende, rijdende burchten. Deze auto's werden geconcipieerd in de periode 1998-2000, toen olieprijzen rond 10 dollar noteerden en aandelenbeleggers zich multimiljonair waanden. Na de oliecrisis van de jaren zeventig was dat even anders. Midden jaren tachtig werden auto's lichter en zuiniger. Auto- freaks pochten toen niet over het aantal pk's maar over de cx-waarde (luchtweerstandscoëfficiënt) van hun heilige koe. Het energieverbruik van ons autopark halveerde dankzij elektronische brandstofinspuiting, composietmaterialen en (turbo)dieselmotoren. In de jaren negentig stopte deze vooruitgang, om recentelijk weer achteruit te gaan, onder meer door de wereldwijde rage van de bubble cars. Vraag en aanbod. Elke prijs wordt bepaald door de wet van vraag en aanbod. Ook de olieprijs, want het zogenaamde monopolie van Opec is erg relatief. Het oliekartel beheerste volgens het internationale energieagentschap IEA minder dan 40 % van de productie in het tweede kwartaal van 2004. Opec bezit evenwel 75 % van de oliereserves en alle beschikbare extra productiecapaciteit. Het aanbod is echter krapper dan tot nu toe werd aangenomen. De Opec-landen hebben hun reserves sterk overschat (hogere reserves betekenden meer politieke macht). Koeweit is daar een mooi voorbeeld van. In 1985 verhoogde het land zijn officiële Opec-reserves van 64 naar 92 miljard vaten, zonder enige nieuwe ontdekking van olievelden. Dat cijfer bleef sindsdien vastgeroest in de tabellen. Er moet dus niet veel van de Opec worden verwacht om de prijzen te doen dalen. Rusland is ondertussen trouwens Saoedi-Arabië voorbijgestoken als belangrijkste olieproducerende land. In 1999 produceerde Rusland 6 miljoen vaten per dag, vandaag 8,8. Saoedi-Arabië stabiliseerde rond de 8,5 miljoen. Vandaag wordt wereldwijd 25 % meer geproduceerd dan in 1991. De groei in de westerse landen is veel minder olie-intensief geworden (1 % economische groei betekent minder dan 0,3 % groei van de vraag naar olie). In de emerging markets is dat bijna het dubbele (0,6 % per procent economische groei). In de afgelopen jaren heeft Azië, en meer bepaald China, de wereldeconomie gestimuleerd. Sinds 1995 is de vraag naar olie 10 miljoen vaten per dag gestegen (zie tabel). Dat is volledig toe te wijzen aan China en enkele andere ontluikende economieën. In 1995 verbruikte China de helft van industriële supermacht Japan. In 2003 is China ze voorbijgestoken - meer dan een symbolische wissel aan de Aziatische macht! In het Oeso-blok is de stijging van de VS opgevangen door een achteruitgang van de anderen, zoals Japan. Ongetwijfeld spelen ook andere factoren een rol. Hedge funds, de duistere macht in de financiële markten, zouden 'speculatieve' posities hebben. De recente gebeurtenissen schijnen dit echter tegen te spreken. Na de aankondiging van een groeivertraging in China daalden de grondstoffenprijzen spectaculair, vooral door paniekverkopen van speculanten. Net op dat moment begonnen de olieprijzen echter sterk te stijgen. De spanningen in het Midden-Oosten helpen uiteraard niet. Maar speculanten en terroristen lijken me een te verwaarlozen factor in de stijging van de olieprijzen. Ruw excuus. Sommige economen zeggen dat de drie laatste recessies te wijten waren aan de sterke stijging van de prijs van de ruwe olie. Waarschijnlijk was het echter de spreekwoordelijke (en toepasselijke) druppel die het vat deed overlopen. Vandaag is die stijging in vergelijkbare prijzen (zie grafiek) trouwens erg beperkt. Een prijs van 80 tot 100 dollar per vat zou pas overeenstemmen met de oliecrisis van toen. De impact op de inflatie zal voorlopig ook vrij beperkt blijven, omdat de spiraal van stijgende olieprijzen die zich doorzet in stijgende lonen zoals in de jaren zeventig niet meer bestaat (bijvoorbeeld de gezondheids- index). In 2000 kwam de stijging er in de winter, nu gebeurt het in de lente en zomer. Verder is Europa ook beter beschut door de sterkte van de euro (dank u wel, ECB). Bovendien is de Europese economie minder olie-intensief dan de Amerikaanse. Voor de VS vormen de stijgende olieprijs een zwaardere tegenwind. De stijging van 12 dollar per vat sinds een jaar geleden betekent een belastingverhoging van 100 miljard dollar aan het buitenland. De Bush-belastingverlaging wordt als het ware doorgestort aan Opec. De stijgende olieprijs zal niet de belangrijkste oorzaak zijn van de groeivertraging in 2005. Wedden dat het wel een erg populair excuus zal worden volgend jaar? Geert Noels