Duitsland is rijk aan paradoxen. Het land is wereldkampioen export, maar ook al geruime tijd de zieke man van Europa. Niemand voert meer uit per hoofd, maar nergens is de werkloosheid zo hoog. Sinds 2000 steeg de Duitse export jaarlijks met 7 % in volume, maar de binnenlandse consumptie bleef in de modder steken. Duitsland wint marktaandeel, zelfs op de wereldmarkt, maar is nog lang niet opnieuw de locomotief van de Europese economie.
...

Duitsland is rijk aan paradoxen. Het land is wereldkampioen export, maar ook al geruime tijd de zieke man van Europa. Niemand voert meer uit per hoofd, maar nergens is de werkloosheid zo hoog. Sinds 2000 steeg de Duitse export jaarlijks met 7 % in volume, maar de binnenlandse consumptie bleef in de modder steken. Duitsland wint marktaandeel, zelfs op de wereldmarkt, maar is nog lang niet opnieuw de locomotief van de Europese economie. Waar loopt er fout? De felle Duitse loonmatiging wordt geregeld aangehaald om de combinatie van sterke exportprestaties en een zwakke binnenlandse vraag te verklaren. Het IMF haalt die redenering onderuit. De loonmatiging zorgde de jongste jaren weliswaar voor een betere kostencompetitiviteit van de Duitse economie, maar die bonus werd voor een groot deel tenietgedaan door de stijging van de euro. De intensieve loonmatiging zorgde er wel voor dat Duitsland marktaandeel inpikte ten koste van andere eurolanden zoals België, maar ze verklaart het stijgende marktaandeel op de wereldmarkt niet. Het IMF schrijft de betere Duitse exportprestaties (in vergelijking met andere industrielanden) voor 60 % toe aan twee opmerkelijke feiten. Primo: de historische banden van Duitse bedrijven met snelgroeiende landen als China en India. Secundo: de doorgedreven strategie van uitbesteding. De Duitse bedrijven hebben de kennis aan boord om marktaandeel te verwerven in snelgroeiende landen. Ruim 11 % van de Duitse export heeft als bestemming Azië. Duitsland profiteert ook meer dan de naaste concurrenten van de recyclage van de petrodollars. Maar de Duitse exporteurs maken vooral gretig gebruik van de mogelijkheden om grote happen van het productieproces uit te besteden en op die manier de kosten te drukken. Vooral arbeidsintensieve productieprocessen verhuizen naar landen met lagere arbeidskosten. En Duitsland hoeft het niet ver te zoeken: in Centraal- en Oost Europa is nog een ruime pool goedkopere geschoolde arbeid voorradig. Het aandeel van ingevoerde onderdelen in de uitvoerwaarde van de exportsector steeg van 28 % in het midden van de jaren negentig naar 42 % in 2005. Het gevolg: de sterke exportprestaties uiten zich bijzonder weinig in bijkomende jobs en economische groei. Sterke exportprestaties én een hoge werkloosheid blijken in Duitsland twee kanten van dezelfde medaille. De befaamde Duitse econoom Hans-Werner Sinn noemt de Duitse economie daarom een bazaar: een doorvoerhaven voor goederen en diensten die elders geproduceerd worden. Voor elke bijkomende euro exportinkomsten gaat 53 cent naar de invoer van intermediaire goederen. De toonbank blijft in Duitsland, maar de productiehal staat elders. "De Duitse economie wordt drijvende gehouden door personeel overboord te gooien," besluit Sinn. D.K.