Kinshasa (Congo).
...

Kinshasa (Congo). De kantoren van de twee Antwerpse exportbedrijven Soafrimex en Afroliner werden verzegeld. Het parket van Antwerpen onderzoekt of de twee exporteurs van Europese voedsel-overschotten naar Afrika betrokken waren bij fiscale fraude, grootscheepse witwasoperaties en verdachte diamanthandel. Hun filialen, Congo Futur en Socimex, doken drie jaar geleden voor het eerst op in Kinshasa. Uit het niets overspoelden ze met een vloot van honderden nieuwe vrachtwagens vanuit de haven van Matadi de miljoenenstad Kinshasa: vlees- en kippenresten uit Europa, Argentinië en Zuid-Afrika, bevroren vis uit de Namibische wateren, rijst en tarwebloem. Die voedingsmiddelen worden tegen ongezien lage prijzen gedumpt: nauwelijks één euro per kilogram voor een kip en minder dan een halve euro per kilo rijst. Dankzij de ingevoerde tarwebloem betaalt de Kinois minder dan 10 eurocent voor een broodje. Dat lijkt goed nieuws voor de zes miljoen inwoners van Kinshasa in een land waar het per-capita-inkomen minder dan 80 euro bedraagt en de honger knaagt. De overgrote meerderheid van de Congolezen kan zich maar één keer per dag, of zelfs om de twee dagen, een maaltijd veroorloven. "Er is geen koopkracht meer en dus geen markt," zegt Yves Wissocq, gedelegeerd bestuurder van Compagnie Jules Van Lancker ( JVL), een van de oudste landbouw- en veeteeltbedrijven in Congo. De doorsnee Congolees grijpt naar zeer goedkope, ingevoerde voedseloverschotten als aanvulling op de karige groenten uit zijn eigen moestuintje. "Het is onbegrijpelijk hoe de mensen overleven met zo'n lage voedselinname," zegt professor Landbouw- en Milieueconomie Eric Tollens van de KU Leuven. Hij is pas terug uit Congo. Volgens de Wereldvoedselorganisatie FAO is de voedselsituatie nergens in de wereld de jongste tien jaar zo dramatisch verslechterd als in Congo. In heel Congo. "Goedkope voedselimporten uit Europa maken dat de Kinois niet van honger omkomen, maar daarmee ondermijnt men wel de lokale landbouw," zegt Yves Wissocq van JVL. In 2000 importeerde Congo volgens de FAO 550.000 ton voedsel. In 2002 kwam alleen via Matadi 670.000 ton het land in. Rekening houdend met het feit dat bijna 80 % van het voedsel voor de zuidoostlijke gebieden Katanga en Kasaï traditioneel uit Zuid-Afrika komt, zou zowat 850.000 ton levensmiddelen ingevoerd worden. De lokale landbouwproductie ligt op apegapen. Massale voedselimporten zijn niet nieuw. Orgaman, het bedrijf van de Belg WilliamDamseaux, werkte zich in deze niche op tot het belangrijkste privé-bedrijf in de Congolese hoofdstad. Maar het opkomende geweld van Congo Futur en Socimex snoept marktaandeel af. Ook de plaatselijke bloemmaalderij Midema dreigt stil te vallen. Ondanks een invoerheffing van 35,6 % op tarwebloem importeerden Congo Futur en Socimex vorig jaar 100.000 ton, ten koste van Midema. Frauduleus, dus zonder heffing? Het Belgische gerecht onderzoekt de zaak met zijn Congolese collega's. De krant Le Potentiel beweert dat met de opbrengst uit goedkoop gedumpte voedsel-overschotten van de Antwerpse exportbedrijven diamant wordt gekocht. (En dan is de schaduw van de terreurbeweging Al Qaeda in de media nooit ver weg.) Het agrovoedingsbedrijf JVL verkoopt zijn rundvlees alleen nog aan expats en de hogere inkomensklassen in Kinshasa en bijna even duur als in België. "Dat is absurd, maar het typeert de diepe malaise van de voedselsituatie in Congo," zegt Wissocq. Hij wijst als schuldige voor die wantoestand de torenhoge lokale kostenstructuur aan. "Daardoor worden zowel commerciële landbouwbedrijven als de kleine boeren langzaam gewurgd," zegt hij. Professor Tollens stelt vast dat consumptie van kippen sinds 1995 met 25 % is gedaald, dat het suikerverbruik sinds 1975 verminderde met 70 % en dat de vleesconsumptie sindsdien gehalveerd is; idem voor aardnoten. Het verbruik van gerookte vis daalde van 6,13 kilogram in 1975 tot 0,67 in 2000. "De Congolezen overleven met ingevoerde koppen en staarten. De plaatselijke productie is onbetaalbaar geworden."Professor Tollens staaft de ernst van de voedselschaarste in Congo met recente enquêtes van het FAO. In 1961 nam de gemiddelde Congolees per dag 2291 calorieën op. Vandaag zijn dat er 1500. "Daar kun je als mens geen normale activiteit mee ontwikkelen," aldus Tollens. Volgens het FAO is 70 % van de Congolezen chronisch ondervoed, wat een verdrievoudiging is sinds 1990. "Kinshasa is er het minst erg aan toe, al is de situatie dramatisch in sommige wijken van de stad. In Katanga is het erger, in Kivu is het ronduit catastrofaal."Yves Wissocq maakt een rekensommetje. "Stel: een boer produceert 100 eenheden. Na diefstallen houdt hij er 80 over. Lokale chefs eisen soms van hun dorpelingen tot 30 % op, zo blijven er ongeveer 55 over. Op de markt wordt hij nog eens gepluimd door lokale overheden, maar onderweg moet hij voortdurend afdokken. Van de 100 houdt de boer hooguit 30 à 40 eenheden over van zijn arbeid. En als hij het transport overlaat aan een handelaar, dan zal die hem - anticiperend op hetzelfde scenario - nauwelijks 30 % gunnen. Van zo'n karige opbrengst kun je als boer niet rondkomen."Wissocq verwijst naar de lege heuvelruggen langs de 150 kilometer lange asfaltweg van Kinshasa naar Mbanza-Ngungu in Beneden-Congo. Daar groeit niets meer, terwijl vijf jaar geleden nog in overvloed geoogst werd. "De motivatie is er niet, hoewel dit de beste weg in heel Congo is. Pas twee jaar geleden is hij met buitenlands hulpgeld heraangelegd." Hetzelfde overkomt de commerciële landbouwbedrijven. Wissocq zwaait met tientallen officiële documenten. "Elk ministerie int een hele reeks belastingen om de lege staatskas te vullen. De elektriciteitsmaatschappij Snel slaagt er nauwelijks in 12 % van haar facturen te innen en dus draaien de weinige formele bedrijven op voor de wanbetalers. De waanzinnige parafiscaliteit is moordend." Pater Leonard Van Baelen, de stichter en bezieler van het ontwikkelingsproject CDI-Bwamanda, valt Wissocq bij, maar relativeert de toestand in de gebieden waar CDI de kleine boer omkadert. In een gebied twee keer zo groot als België groeide het Centre de Développement Intégral ( CDI) in 30 jaar uit tot een grotendeels zelfbedruipend, op commerciële maatstaven geschoeide niet-gouvernementele organisatie (NGO). CDI produceert in de evenaarsprovincie zaai- en plantgoed, 3000 ton maïs, 1200 ton rijst, 500 ton soja en 3000 ton koffie, beheert vijf ziekenhuizen, een tachtigtal gezondheidscentra en verschillende scholen. In Noordwest-Congo is CDI-Bwamanda wat JVL, Groupe Agro-Pastoral en Compagnie Sucrière in Beneden-Congo nog zijn: de laatste oases in een woes-tijn. "De plaatselijke landbouw kampt met veel te hoge algemene kosten en kan niet concurreren met goedkopere importen," bevestigt Van Baelen. Hij heeft voorbeelden van willekeurige taksen, waaronder een taxe de pollution telkens als de boot uitvaart. CDI betaalt 72 soorten heffingen, JVL telt er 165 op alle niveaus, voor weegschalen, waterpompen en stroomgeneratoren. "Zelfs op de tractor waarmee we landingsbanen voor onze vliegtuigjes onderhouden. Voeg daarbij dat die taksen, in een poging om de inflatie bij te houden, in een eerste fase willekeurig in dollar omgezet werden en nadien werden vervijfvoudigd omdat de regering als taxatie-eenheid le franc fiscal invoerde in plaats van de Congolese frank." Wat de landbouwbedrijven vooral hoog zit, is dat weinig donoren oog hebben voor de kern van het probleem. "Alsof ze ervan uitgaan dat indien bedrijven als JVL het uithouden dat alleen kan omdat wij niet zuiver op de graat zijn. Lokale bedrijven jeremiëren uit eigenbelang. Dergelijke clichés zijn hardnekkig," klagen ze. In recent onderzoek (Breaking the Conflict Trap: Civil War and Development Policy) legt Paul Collier van de Wereldbank een direct verband tussen chronische voedselschaarste en burgeroorlogen. Collier wijst erop dat de genocide in Rwanda niet uit de lucht kwam vallen en dat de onmenselijke taferelen die momenteel in Bunia in Noordoost-Congo plaatsvinden en waar de Belgische regering militairen wil inzetten "minder te maken hebben met tribalisme dan met de armoede in de streek". De Wereldbank ziet wel verbanden tussen armoede en conflictsituaties, maar onderzoekt niet consequent hoe de landbouw in Congo, waarvan 80 % van de bevolking afhankelijk is, opnieuw gezond kan worden. Er gaat geld naar audits om het staatsmijnbedrijf Gécamines aan de praat te krijgen en de Wereldbank heeft interesse voor de grootschalige boskap, maar is bijziend op het vlak van de voedselvoorziening. Het aanzwengelen van de Congolese mijnindustrie zal honderden miljoenen dollar vergen, die moeten worden ingebracht door buitenlandse groepen en waarvan de resultaten grotendeels pas over decennia voelbaar zijn. Terwijl de landbouw op lokale kracht kan herleven en vrij snel zal renderen, luidt de redenering van Thierry Jungers van JVL. "Elk miljoen euro aan voedseloverschotten uit Europa zuigt één miljoen euro potentiële levenskracht uit dit land. Eén miljoen euro uitgeven aan lokale landbouwproducten versterkt daarentegen de binnenlandse markt." Het verdwijnen van landbouwvelden langs de weg Kinshasa-Mbanza-Ngungu is veelbetekenend voor de aanpak door de Wereldbank en buitenlandse donoren: investeren in infrastructuur is weinig efficiënt zolang de binnenlandse algemene voorwaarden ontbreken om de lokale economie op gang te trekken, en in de eerste plaats de landbouwproductie. "Behalve rechtszekerheid moet de Afrikaanse landbouw gelijke wapens krijgen om de concurrentie aan te gaan: overal in de wereld genieten boeren bijvoorbeeld preferentiële tarieven voor hun energierekening," zegt Thierry Jungers. "Niet alleen krijgen de Congolese boeren en agrobedrijven niet de minste subsidie, we gaan ten onder aan een onzinnige parafiscaliteit en betalen de duurste energie ter wereld: de prijs van stookolie is dubbel zo hoog als in België en vier keer zo hoog voor elektriciteit. Ondertussen worden ontwikkelingslanden platgewalst met vijf à zes miljard euro gesubsidieerde voedsel-overschotten uit de rijke landen. Daaruit volgen dan weer fraudepraktijken, die ons de genadeslag toebrengen."Professor Tollens vindt Europese subsidies minder doorslaggevend dan de dure energierekening en het slechte omgevingsklimaat. Maïs zou volgens Leonard Van Baelen kunnen concurreren met de wereldmarkt. Momenteel kopen de Belgische Ontwikkelingssamenwerking en de Europese Unie bij CDI maïs tegen het dubbele van de prijs, "omdat de landbouw zo inefficiënt is," zegt Van Baelen. Vorig jaar kocht CDI 2500 ton maïs op bij boeren in de evenaarsprovincie en 3000 ton in Bandundu om naar Kinshasa te verschepen. Ook voor rijst is Congo competitief, "maar zonder krediet- of meststoffen, met enkel een hak als instrument op gronden van anderhalve hectare per boer en een staatsapparaat in verval, is het uiterst moeilijk." De FAO berekende dat Congo nochtans het potentieel heeft om 2 miljard mensen te voeden als er geboerd zou worden volgens het Europese landbouwpatroon. Ontwikkelingseconoom Hugues Leclercq vond in de jaren negentig sterke aanwijzingen voor een heropleving van onderuit, gestuwd door dynamische, informele economische en politieke netwerken. "Die informele mechanismen zijn gebroken," zegt Leclercq. "Men koopt en verkoopt niet meer, men vervalt in ruil en extreme armoede. De kansen op herstel, die tien jaar geleden reëel waren, zijn vernietigd. Daarop ent zich een uitzaaiing van gewapende milities uit Oost-Congo naar het westen." De vraag is of een Europese interventiemacht in Bunia dat kankergezwel kan indammen. Erik Bruyland Goedkope voedselimporten uit Europa maken dat de Kinois niet van honger omkomen, maar daarmee ondermijnt men wel de lokale landbouw.De Wereldbank legt een direct verband tussen chronische voedselschaarste en burgeroorlogen.