Ruimtelijk dirigisme
...

Ruimtelijk dirigismeHet blijft bon ton het meer liberale Vlaanderen in contrast te plaatsen met het collectivistische Wallonië. Dit kan misschien therapeutisch werken voor alternatieve politieke en economische krachten in Wallonië, maar het kan ook leiden tot een vorm van zelfverdoving ten opzichte van sommige onrustwekkende evoluties in Vlaanderen. Eén van de domeinen waarvoor het beeld van het liberale Vlaanderen niet meer opgaat, is de sector van de ruimtelijke ordening.Het doornemen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV), een turf van zowat 500 bladzijden, brengt de lezer in een wereld die men intellectueel dood waande : die van de ultra-centralistische planning waarin men ervan uitgaat dat de samenleving volledig maakbaar is, dat de overheid alle relevante informatie kan verzamelen om de toekomst te voorspellen. Die maakbaarheidsobsessie komt in het RSV bijvoorbeeld tot uiting in de rigoureuze rangordening van de Vlaamse stedelijke gebieden in grootstedelijke gebieden (Antwerpen, Gent en de Vlaamse Rand rond Brussel), regionaal-stedelijke gebieden (Brugge, Hasselt, Leuven,...), structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden (Aarschot, Ronse, Tongeren,...) en kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau (Beringen, Boom, Zottegem,...). INDELINGSWOEDE.Deze rangordening is niet zomaar een intellectuele oefening : er zitten immers normatieve consequenties aan vast in verband met het inrichten of uitbreiden van industrieterreinen, de zogenaamde lijninfrastructuren, de groei en de renovatie van het woningenpark.Van de 308 Vlaamse gemeenten worden er voorts 153 erkend als economisch knooppunt, wat in de toekomst de mogelijkheid biedt om er industrieterreinen aan te leggen. Ook het platteland, in RSV-jargon buitengebied genoemd, ontsnapt niet aan de indelingswoede : dit gebied wordt ingedeeld in hoofddorpen, woonkernen, linten, bebouwd perifeer landschap en verspreide bebouwing. Deze kwalificatie zal voornamelijk het toegelaten bouwvolume bepalen. De illusie de toekomst te kunnen voorspellen in prognoses komt tot uiting in het bepalen van de toekomstige behoeften inzake woonvolumes : het RSV stelt dit voor de komende tien jaar vast op 400.000 nieuwe woningen en 300.000 renovatieprojecten. Bovendien wordt de groei van het woningaanbod, zoals het een centralistische planner past, toebedeeld aan de verschillende provincies en verdeeld over stedelijke gebieden (60 %) en buitengebied (40 %).Het decreet ruimtelijke planning voorziet duidelijk dat alle plannen van aanleg via de herzieningsprocedure in overeenstemming worden gebracht met het RSV. Zo zullen de dromen en prognoses van een select clubje planningstechnocraten ingrijpen in onze toekomstige bouw- en investeringsplannen.VOORSPELLEN.De doelstellingen van de planners zijn ongetwijfeld lofwaardig : ze willen de open ruimte beter beschermen, het stedelijk wonen rehabiliteren, het politiek cliëntelisme in het toebedelen van woongebieden en vergunningen stopzetten. De intellectuele basis van de gebruikte methode zit echter totaal fout. Geen enkele menselijke instantie is immers in staat de toekomstige economische en culturele ontwikkelingen te voorspellen op langere termijn (het RSV spreekt van 2007).De Vlaamse ruimtelijke planners meten zich een goddelijke kenniscapaciteit toe ten opzichte van toekomstige ontwikkelingen. Mocht Tubeke in Vlaanderen liggen, dan had men deze gemeente waarschijnlijk beschouwd als een economisch knooppunt en ze derhalve ruimschoots bedeeld met woonuitbreiding, infrastructuur en industrieterreinen. In het licht van de recente gebeurtenissen zou dat massale verspilling geweest zijn. Denk in dit verband ook aan Temse met de Boelwerf, aan de mijnstreek in Limburg.BIJSTUREN.Moet men de ruimtelijke planning dan maar volledig laten varen ? Zeker niet. Een nederige, niet-dirigistische planner erkent dat de toekomst open-ended is, dat men bijgevolg de economische en culturele ontwikkelingen voor een deel op zich af moet laten komen. Zodra een ontwikkeling duidelijk is, kan men ze via ruimtelijke planning en regulering bijsturen teneinde de negatieve effecten te beperken. Als de Vlaamse burger liever buiten de stad wil wonen, komt het de overheid niet toe hem terug de stad in te jagen omwille van de denkbeelden van een aantal technocraten. Wel kan men begeleidende maatregelen treffen door de verspreide bewoning wat in te perken en door de kosten van dat meer gespreide wonen (wegeninfrastructuur, duurdere postbedeling, duurdere openbare nutsvoorzieningen) voornamelijk aan te rekenen aan die bewoners zelf in plaats van aan alle belastingbetalers.Begeleiden in plaats van leiden, bijsturen in plaats van sturen, begeleide evolutie in plaats van gestuurde constructie. De Vlaamse ruimtelijke planners hebben duidelijk voor het laatste gekozen.DOORDRIJVERS.Het beruchte politieke cliëntelisme in verband met ruimtelijke ordening is een ongewild neveneffect van de vroegere wetgeving, die heel wat macht inzake ruimtegebruik naar de gemeentebesturen had gedraineerd. Het RSV verschuift deze macht hogerop, naar topambtenarij en planningsgroepen op gewestelijk en provinciaal vlak. In een eerste fase zal het politiek cliëntelisme wellicht afnemen en vervangen worden door technocratische arbitrariteit. Het bloed kruipt echter waar het niet gaan kan : tegen 2007, het einde van de plantermijn van het RSV, zal het cliëntelisme wellicht opnieuw zijn weg gevonden hebben naar de ondoorzichtige cenakels van de Vlaamse planbureaus.Van Louis Brandeis, rechter bij het Supreme Court, stamt de uitspraak : "Mensen die vrijheid als hun geboorterecht beschouwen, zijn er van nature op gespitst aanslagen af te slaan die kwaadwillende heersers op hun vrijheid plegen. Een groter gevaar schuilt echter in de doordrijvers die goed bedoelen, maar niets begrijpen". Hopelijk vergis ik mij als ik vermoed dat deze laatste zinsnede toepasselijk is op de auteurs van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. BOUDEWIJN BOUCKAERT Prof. dr. Bouckaert is voorzitter van de vakgroep Grondslagen van het Recht, faculteit Rechtsgeleerdheid, Universiteit Gent.