Vijf jaar na de VN-klimaatconferentie in Rio de Janeiro realiseren Interbrew en Vito het eerste, Vlaamse proefproject van joint implementation : bedrijven investeren in het buitenland voor de verminderingen van het broeikaseffect.
...

Vijf jaar na de VN-klimaatconferentie in Rio de Janeiro realiseren Interbrew en Vito het eerste, Vlaamse proefproject van joint implementation : bedrijven investeren in het buitenland voor de verminderingen van het broeikaseffect. Vandaag voert Interbrew twee milieu-investeringen door in zijn Oost-Europese brouwerijen van Baia Mare (Roemenië) en Zagreb (Kroatië). Beide projecten samen goed voor een budget van tien miljoen frank kaderen in het experiment van de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (Vito) om de mogelijkheden van joint implementation (JI) in Vlaanderen na te gaan. JI staat voor een bi- of multilaterale overeenkomst waarin landen met hoge uitgaven voor emissiereductie investeren in landen met lagere kosten voor milieuverbetering en hiervoor een krediet (certificaat) krijgen. Wat is het basisidee achter JI ? Dat de vermindering van de broeikasgassen efficiënter valt te realiseren in het Oosten en het Zuiden dan in het Westen, waar de vervuilingsgraad dankzij schonere technologie relatief minder groot is.Projectleider Frank Peeters, wetenschappelijk medewerker van het expertisecentrum Product- en Procesevaluatie van het Vito : "Algemeen wordt joint implementation beschouwd als de voorloper van wereldwijd verhandelbare emissierechten ( nvdr certificaten om bepaalde volumes afval te storten ; zie Trends van 20 maart '97). Dat is ook de reden waarom de Verenigde Staten in '92 nog een fervente tegenstander van de Klimaatconventie nu een bocht van 180 hebben genomen. Uit schrik voor een nieuwe stijging van de energieprijzen of de invoering van extra milieuheffingen, steunen zij sinds vorig jaar JI als het economisch instrument om het internationale broeikaseffect te bestrijden." JI trekt bedrijven over de streepHoe ziet JI er in de praktijk uit ? Stel dat een ondernemer in een ontwikkelingsland zijn productielijn geheel of gedeeltelijk wil vernieuwen. Hiervoor selecteert hij de best beschikbare technologie uit eigen regio. De kans is groot dat er ecologisch een betere oplossing in de industrielanden bestaat. Maar meestal tegen een investering die duurder is. Met de hulp van een westerse partner, die een joint venture met het bedrijf uit het ontwikkelingsland afsluit, wordt het project economisch echter wel haalbaar. Naast economische voordelen via de joint venture, zal het vooruitzicht op een financiële bijdrage uit een speciaal JI-fonds en/of verhandelbare emissierechten de donor over de streep trekken. Ook het gastland haalt voordeel uit de operatie. Er vindt een technologie-overdracht plaats tussen rijke en arme landen. Bovendien trekt het gastland externe investeringen aan, zodat de werkgelegenheid toeneemt. JI beantwoordt aan het marktmechanisme, omdat het inspeelt op het spel van vraag en aanbod. En last but not least verbetert het milieu. "Toch zijn ook nadelen aan joint implementation verbonden," zegt Frank Peeters. "In de eerste plaats worden investeringen en technologische ontwikkeling in donorlanden afgeremd. Als bedrijven op een goedkope manier hun emissiereductie kunnen realiseren door bestaande knowhow te transfereren, zullen zij geen geld steken in bijkomend onderzoek naar nieuwe spitsvondigheden. Bovendien willen de ontwikkelingslanden niet opdraaien voor de huidige milieucrisis, vooral veroorzaakt door de industrielanden. Zij eisen het recht om met dezelfde voorwaarden vrij gebruik van goedkope grondstoffen (exclusief milieukosten) een gelijkaardig niveau als in de Europese Unie of de Verenigde Staten te bereiken. Tenslotte vrezen de Tweede en de Derde Wereld dat JI als voorbereiding op verhandelbare emissierechten de macht van het Westen nog zal vergroten, omdat het grootkapitaal het leeuwendeel van de op de markt beschikbare certificaten zal kunnen kopen."Professor Lucas Reijnders (Universiteit van Amsterdam) deelt deze bezorgdheid : "Door joint implementation krijgen de industrielanden meer ruimte voor vervuiling. Ook beperkt JI het eigenbelang bij de ontwikkelingslanden om iets aan het broeikaseffect te doen." In die zin voelt de adviseur van de Nederlandse Stichting Natuur en Milieu meer voor kennisoverdracht, gecombineerd met het beschikbaar stellen van voldoende kapitaal. Reijnders : "Bij vele ontwikkelingslanden leeft de angst te worden opgescheept met achterhaalde technologie." Bierbrouwerij als proefkonijnAansluitend op het raamwerk dat de Verenigde Naties voor JI heeft uitgewerkt, stelde het Vito de regering voor een experiment op te starten. Eind vorig jaar gaf Erik Van Rompuy, Vlaams minister van Economie, zijn fiat en een budget van 2,25 miljoen frank. Omwille van het beperkt budget werd naar een reeds goedgekeurde, maar nog niet uitgevoerde eco-investering uitgekeken. Peeters : "Praktische ervaring opdoen met het concept is de belangrijkste doelstelling." Na een korte zoektocht niet zoveel Vlaamse bedrijven besteden substantiële bedragen aan milieuverbeteringen in het buitenland viel de keuze op Interbrew. Geerd Jan Timmers, milieumanager van de internationale brouwerijgroep : "In het raam van de milieudoorlichting van onze productieprocessen werkten wij reeds samen met Vito, dat de mogelijkheden voor een vermindering van energie- en watergebruik in onze bottelarij onderzoekt. Sinds '96 voert Interbrew een geïntegreerd milieubeleid. Elke productie-eenheid beschikt over een milieucoördinator en gaat een milieuzorgsysteem opstellen. Hierbij streven wij naar besparingen aan de bron. Deze inspanningen leveren zowel ecologisch als economisch hun geld op. Je zit dus in een win/win-situatie. Hetzelfde geldt voor joint implementation." In tegenstellingtot de energiebelasting aanvaardt het bedrijfsleven JI als een economisch verantwoord middel om het broeikaseffect in te dijken. Naar analogie met de CO2-taks (dubbel dividend) spreken groene ondernemers over het driedubbel dividend van joint implementation : zowel milieu (minder vervuiling) als overheid (minder administratie) én industrie (minder kosten) winnen. Timmers : "Enerzijds spreekt de mondiale aanpak ons aan, anderzijds wordt zonder een verhoging van de fiscale druk het milieu verbeterd. Bovendien kunnen wij door samenwerking met Vito ons voorbereiden op een internationaal beleidsinstrument, dat in de toekomst waarschijnlijk een belangrijke rol zal spelen."De geplande investeringen leveren Interbrew een rendementsverbetering (Roemenië) en een emissiereductie (Kroatië) van niet minder dan 50 % op. In Roemenië worden de stoomleidingen vernieuwd, in Kroatië wordt een installatie om CO2 te recupereren gebouwd. In september '97 hoopt de brouwerij de vernieuwde apparatuur op te kunnen starten. Een maand later volgt het eindrapport van Vito, dat zijn experiment afrondt in november van dit jaar met een seminarie over joint implementation.Ondanks alle goede voornemens zijn de CO2-emissies in ons land tussen '90 en '94 niet zoals overeengekomen met 5 % afgenomen ( nvdr de Europese Unie plant zelfs een vermindering van 15 % tegen 2010) maar met 6,3 % toegenomen. Peeters : "Door realisatie van emissiereducties in het buitenland hebben de bedrijven en het Vlaamse Gewest recht op kredieten om hun milieudoelstellingen te realiseren. Dankzij JI beslist de industrie zelf over tijd, plaats en bedrag van hun investeringen. Dergelijke vrijheid waarborgt de meeste kans op succes. Daarom pleiten wij bij de overheid voor de oprichting van een JI-registratiecentrum om alle initiatieven terzake te begeleiden, op te volgen, te evalueren en te accrediteren bij de VN." ERIC POMPEN GEERD JAN TIMMERS (INTERBREW) EN FRANK PEETERS (VITO) Joint implementation is voorloper van wereldwijd verhandelbare emissierechten als economisch alternatief voor emissiereductie.