Familiehulp, de grootste thuishulpdienst in Vlaanderen en Brussel, zoekt dringend meer dan 400 poetshulpen. De dienst verschaft nu al werk aan 3000 mensen. De stijgende vraag is volledig te verklaren door het aanhoudende succes van de dienstencheques.
...

Familiehulp, de grootste thuishulpdienst in Vlaanderen en Brussel, zoekt dringend meer dan 400 poetshulpen. De dienst verschaft nu al werk aan 3000 mensen. De stijgende vraag is volledig te verklaren door het aanhoudende succes van de dienstencheques. Particulieren kunnen via een cheque huishoudelijke hulp (poetsen, strijken, boodschappen doen, enzovoort) inhuren bij een erkende onderneming. Sinds de federale overheid dat systeem in 2004 invoerde, kent de branche een exponentiële groei. Oorspronkelijk was het de bedoeling om 25.000 jobs te creëren, ondertussen zijn er al 143.950 werknemers. Dat aantal neemt alleen maar toe. Ook het aantal gebruikers stijgt voortdurend, nu al tot 760.000. De keerzijde van het succes is de enorme kostprijs voor de overheid. De gebruiker betaalt 7,5 euro per cheque (goed voor een uur werk), maar een deel kan fiscaal worden afgetrokken. De nettoprijs voor de gebruiker bedraagt 5,25 euro. Het dienstenchequesbedrijf krijgt 20,80 euro per cheque. Het verschil wordt bijgepast door de overheid via de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA). De financiële tussenkomst van de RVA voor 2010 bedroeg 1,220 miljard euro. Dat is een stijging van 17 procent ten opzichte van 2009. Daarnaast zijn er nog de kosten voor de omkadering (kosten van de RVA en van de uitgever van de dienstencheques Sodexo) en de prijs van de fiscale aftrekbaarheid. Als we die samenvoegen, bedraagt de brutokostprijs voor 2010 1,369 miljard euro (zie tabel Bruto- en nettokostprijs van dienstencheques). Die brutokostprijs houdt natuurlijk geen rekening met de terugverdieneffecten van de sector. Dankzij dienstencheques raken werklozen aan een job. Dat betekent meer sociale bijdragen en minder werkloosheidsuitkeringen. Jaarlijks maakt het onderzoeksbureau Idea Consult een evaluatie van de terugverdieneffecten van het stelsel. Op basis van die analyses komt de RVA voor 2010 uit op financiële terugverdieneffecten van ongeveer 559 miljoen euro of 40,8 procent van de brutoprijs. De nettokostprijs van het stelsel bedraagt 810,3 miljoen euro. Een stijging van 22,3 procent in vergelijking met 2009. Over die terugverdieneffecten bestaat geen eensgezindheid. Een onderzoek van PricewaterhouseCoopers van september 2010 stelt dat er ook rekening moet worden gehouden met extra indirecte effecten zoals vervanging van vorige jobs van dienstenchequeswerknemers, verhoogd consumptiegedrag door extra inkomen van de werknemers en terugverdieneffecten via het bedrijf dat de dienstencheques uitgeeft (zoals vennootschapsbelasting). De terugverdieneffecten voor de overheid bedragen op zijn minst 55,89 procent van de brutokostprijs of 765 miljoen euro. Het Hoger Instituut voor de Arbeid (HIVA) uit Leuven stelt op zijn beurt vragen bij de terugverdieneffecten. Zo wordt de gemiddelde duurtijd dat iemand in het dienstenchequesstelsel werkt te hoog ingeschat en wordt geen rekening gehouden met mogelijke jobvernietiging, het niet invullen van voorgaande jobs door dienstenchequeswerknemers. In 2011 neemt de overheid volgens het HIVA vier vijfde van de kosten van het stelsel op zich. De uiteenlopende analyses over terugverdieneffecten overtuigen de vorsers niet en "illustreren alleen het arbitraire van de berekeningen. Wij argumenteren dat ze ook in min of meer dezelfde mate voorkomen bij andere besteding van de middelen." De kritiek van HIVA gaat ook verder dan het ter discussie stellen van de terugverdieneffecten. Zo stelt het HIVA in een aantal studies dat de dienstencheques geen efficiënt middel zijn tegen zwartwerk. Slechts 1 tot 3 procent van de werknemers zegt voordien huishoudelijke arbeid in het zwart te hebben verricht. En slechts 10 tot 18 procent van de gebruikers van dienstencheques zegt de poetshulp vroeger in het zwart te hebben betaald. Dat dienstencheques het ideale middel zijn om zwartwerk te witten, klopt dus niet. Die elementen zijn koren op de molen van zij die beweren dat het stelsel onbetaalbaar dreigt te worden voor de overheidsfinanciën. Zij vinden dat de subsidies voor poetshulp selectiever moeten worden besteed, zeker met de moeilijke budgettaire sanering. Politici pleiten geregeld voor een verhoging van de prijs van de dienstencheques, maar sinds januari 2009 is die onveranderd. In een kritisch artikel in De Gids op Maatschappelijk Gebied van maart 2011 lanceert HIVA-econoom Jozef Pacolet een aantal scenario's om het systeem betaalbaar te houden. "De fiscale aftrekbaarheid (2150 euro of 335 dienstencheques) en het maximale aantal aan te schaffen dienstencheques (500) zouden op jaarbasis beperkt kunnen worden, bijvoorbeeld tot het gemiddelde gebruik (128 dienstencheques in 2010)." Fundamenteler is het voorstel van Pacolet om een onderscheid te maken tussen courante huishoudelijke hulp voor actieven (tweeverdieners) en de hulp van hulpbehoevende personen en zorgsetting. Het HIVA pleit voor een maximale oriëntatie van de sector naar een zorgcontext, "met name naar hulpbehoevende mensen, want daar zullen de behoeften het sterkst stijgen. Het is de sector van de toekomst." De 65-plussers zijn nu goed voor een kwart van het aantal gebruikers van dienstencheques. Een inperking of op zijn minst een focus van de middelen voor het dienstenchequesstelsel op die doelgroep zou de kostprijs aanzienlijk verminderen. Voor de HIVA-onderzoekers is de "exuberante subsidiëring van het stelsel door de overheid niet langer houdbaar. Het is de wereld op haar kop als wij moeten vaststellen dat deze vaak gecommercialiseerde dienstverlening een groter subsidiepercentage kent dan de doorsnee non-profitbedrijven." Een inperking van het stelsel zou natuurlijk een halt toeroepen aan de groei van de erkende dienstenchequesondernemingen die sinds 2004 gestegen zijn van 785 naar 2664. Vooral het aantal commerciële ondernemingen (kleine poetsbedrijven, maar ook de uitzendkantoren) is sterk toegenomen. Zij vormen 60 procent van het totale aantal dienstenchequesondernemingen. De rest zijn de publieke spelers (OCMW's, PWA's en gemeenten ) en de non-profit (Familiehulp, Solidariteit voor het Gezin en Thuishulp). "De vakbonden en non-profitwerkgevers spannen samen om de rol van de commerciële bedrijven in de zorgsector terug te draaien", zegt Jan Denys van Randstad, een van de grootste privéspelers. Hij ergert zich ook aan de bewering dat privébedrijven massale winsten (gemiddeld 19,6 procent) zouden halen uit deze zwaar gesubsidieerde sector. "Dat zijn brutomarges. Daar moet je heel wat kosten van aftrekken. Het gaat hier niet om vetpotten." De commerciële spelers in de sector zijn er bovendien voor bevreesd dat hun rol bij een regionalisering van het dienstenchequessysteem wordt afgebouwd ten nadele van de non-profit. "Die is via zijn zuilorganisaties al in die richting aan het lobbyen bij de Vlaamse regering." De recente aanvallen van het HIVA (verbonden aan het ACW) op het ABVV (dat zich ergert aan het hoge aantal buitenlandse werknemers in de branche: "wij zijn hier Poolse werknemers aan het subsidiëren.") staan daar niet los van. Bovendien hebben de christelijke en socialistische arbeidersbeweging het om ideologische redenen altijd moeilijk gehad met de door de overheid gefinancierde huishoudhulp. Zoals Jan Hertogen, ex-LBC-secretaris en sinds jaar en dag een criticus van het stelsel het ooit stelde: "Vooral de beter gesitueerde en hardwerkende lieden laten zich deze door het gewone werkvolk betaalde diensten welgevallen. Upstairs downstairs, niet alleen waar het mensen betreft, maar nu ook langs de RSZ-financiering."ALAIN MOUTON"De dienstencheques moeten vooral hulpbehoevende mensen ten goede komen. Daar stijgen de behoeften het sterkst" Jozef Pacolet, HIVA "Vooral de beter gesitueerde en hardwerkende lieden laten zich deze door het gewone werkvolk betaalde diensten welgevallen" Jan Hertogen, ex-LBC