Vierhonderdtweeëntachtig Belgische ondernemingen werkten in de loop van 1997 en 1998 mee aan het onderzoek van het Instituut voor Bestuurders. Hoe zien de aandeelhoudersstructuren eruit en hoe is het gesteld met de corporate governance, het "deugdelijk bestuur", in onze ondernemingen?
...

Vierhonderdtweeëntachtig Belgische ondernemingen werkten in de loop van 1997 en 1998 mee aan het onderzoek van het Instituut voor Bestuurders. Hoe zien de aandeelhoudersstructuren eruit en hoe is het gesteld met de corporate governance, het "deugdelijk bestuur", in onze ondernemingen? 67% van het Belgisch aandelenkapitaal is in handen van andere rechtspersonen, in de eerste plaats holdings (36%), gevolgd door niet-financiële instellingen (23%). Beide groepen zijn de zogenaamde referentie-aandeelhouders, wat betekent dat ze wel de grootste, maar niet noodzakelijk de meerderheidsaandeelhouder zijn.De niet-financiële instellingen zijn vooral referentie-aandeelhouder van ondernemingen van buitenlandse origine, terwijl de holdings zich opwerpen als financierders van Belgische bedrijven. Het zogeheten cascademodel - waarbij holdings de macht in handen hebben via een cascade van minderheidsbelangen - is niet de regel. Hoe virtuoos Albert Frère dat model ook moge toegepast hebben. In 92% van de ondernemingen waarin holdings referentie-aandeelhouder zijn, hebben zij een meerderheidsparticipatie en in 25% van de gevallen gaat het om een belang van 100%. Lut Van den Berghe, academisch directeur van het Instituut voor Bestuurders, licht toe: "Enige nuancering in de kijk op holdings is op zijn plaats. We moeten een onderscheid maken tussen financiële holdings met een zuivere portfolio-optiek en de industriële holdings, die vooral operationele en strategische synergieën willen realiseren." Financiële synergieën kunnen beter via de financiële markten worden gerealiseerd, omdat de kosten in een goed werkende kapitaalmarkt lager liggen dan wanneer via een holding wordt gewerkt. "Die redenering gaat voor het realiseren van operationele en strategische synergieën niet op," zegt Lut Van den Berghe. Het onderzoek bevestigt dat België een land is van buitenlandse filialen. Zowat een derde van het aandelenkapitaal is in buitenlandse handen. Vooral in de grotere ondernemingen is buitenlands kapitaal prominent aanwezig.België vaart tegen de stroom inIn de moderne kapitaalmarkten wordt verwacht dat de institutionele beleggers een steeds meer vooraanstaande rol zullen spelen. Daaruit zou een nieuw corporate governance-model kunnen verschijnen: het democratisch kapitalisme. In België is die trend nagenoeg onbestaande. De institutionele beleggers als verschaffer van risicokapitaal vertegenwoordigen amper 5%. Samen met de banken en met de overheid, die een kleine 6% van het aandelenkapitaal in handen heeft, komen zij na de natuurlijke personen. Die hebben 9% van de ondernemingen in volle eigendom en in 16% hebben ze een meerderheidsbelang.De zwakke rol van de institutionele beleggers is mee te wijten aan het grote aantal filialen van buitenlandse ondernemingen en daarnaast aan de huiverachtige houding van vele kleine en besloten Belgische ondernemingen.Een geval apartEr bestaan evenveel opinies als structuren inzake de werking van de raad van bestuur, het soort aandeelhouderschap en de zin of onzin van de algemene vergadering van aandeelhouders. "Heeft het bijvoorbeeld zin dat een onderneming die over 100% van haar aandelen beschikt in vergadering met zichzelf zou treden," vraagt Lut Van den Berghe zich af.Een consensus over richtlijnen voor corporate governance zijn nog ver af. Op een topontmoeting over corporate governance tussen academici en bestuurders in Luik (zie kader: Wet en realiteit) had de voorzitter van het directiecomite van de Brusselse Beurs, Olivier Lefebvre, een oplossing voor die diversiteit. Hij wil één aanbevelingscode in het leven roepen waarvan kan worden afgeweken op voorwaarde dat er een duidelijke motivering is. "Met de wereldwijde concurrentie voor ogen moet er een leidraad komen voor deugdelijk bestuur," zegt Lut Van den Berghe. Ook bedrijven die op korte tijd veel winst maken, moeten beseffen dat het naleven van een aantal normen noodzakelijk is om de goede werking van de onderneming op lange termijn te bestendigen. Zo kan het niet of onvoldoende incalculeren van het verbruik van zogeheten vrije goederen achteraf zware kosten meebrengen (cfr. milieuwetgeving). Philip Verhaeghe, die de externe relaties verzorgt van het Instituut voor Bestuurders, ziet dan ook als voornaamste opdracht voor zijn Instituut "het sensibiliseren van de partijen die betrokken zijn bij het bestuur. Er moet een mentaliteitswijziging komen." LUDWIG JANSSENS