De democratisering van het stemrecht in 1893 heeft de doodsteek betekend voor het unitaire België. Het is de centrale stelling van professor Herman Van Goethem (Universiteit Antwerpen). Zijn boek 'De monarchie en het 'einde van België'' belicht de rol van de Belgische koningen in het uiteenvallen van het koninkrijk. Van Goethem schrijft een vulgariserend werk dat niet meteen bedlectuur is. Nochtans levert zijn onderzoek een bijzonder leerrijk geesteskind op. De lezer leert, voor zover hij het nog niet wist, dat de Belgische vorsten vooral een pragmatische kijk hadden op de 'Vlaamse kwestie' - die ze naar hun hand probeerden ze...

De democratisering van het stemrecht in 1893 heeft de doodsteek betekend voor het unitaire België. Het is de centrale stelling van professor Herman Van Goethem (Universiteit Antwerpen). Zijn boek 'De monarchie en het 'einde van België'' belicht de rol van de Belgische koningen in het uiteenvallen van het koninkrijk. Van Goethem schrijft een vulgariserend werk dat niet meteen bedlectuur is. Nochtans levert zijn onderzoek een bijzonder leerrijk geesteskind op. De lezer leert, voor zover hij het nog niet wist, dat de Belgische vorsten vooral een pragmatische kijk hadden op de 'Vlaamse kwestie' - die ze naar hun hand probeerden zetten. De professor schrijft dat de monarchie de communautaire evolutie vaak verkeerd heeft ingeschat. Leopold I ging met de Vlaamse verzuchtingen mee omdat hij er een middel in zag om de Franse gebiedshonger te counteren. Leopold II had geen interesse in de kwestie en zijn opvolgers Albert I en Leopold III voerden een pragmatische koers die de evolutie op het terrein niet kon bijbenen. Boudewijn I ging nu eens op het gaspedaal staan en dan weer op de rem. Dat laatste gebeurde nadat hij vaststelde dat de vorige staatshervorming niet de laatste was. Het is verrassend dat hij daarover verbaasd was. Hoe dan ook, zijn streven kende geen succes. Albert II en de toekomstige koning Filip I hebben op dat gebied niets meer in de pap te brokken. De democratisering van de politiek en de culturele en de sociaaleconomische evolutie van de verschillende delen van het koninkrijk brengen dat mee. 1893 is voor Van Goethem een sleutelmoment in de geschiedenis van België omdat de modale Vlaming zijn zeg kreeg over het reilen en zeilen in zijn land. De doorsnee Vlaamse kiezer wilde een beter leven en keerde zich tegen de Franstalige elite in Vlaanderen. De auteur verhaalt hoe Albert I de kwestie beter inschatte dan zijn ministers. Maar de vorst kantte zich tegen de tweetaligheid van Wallonië uit vrees voor de reactie van de elite daar. Frankrijk aasde immers op dat deel van België. Een tweetalig België is er niet gekomen en de Vlaamse elite, die Frans sprak, heeft getwijfeld bij het loslaten van de tweetaligheid in Vlaanderen. Voor de professor is het duidelijk dat er sinds 1893 een constante evolutie is: de steeds toenemende territoriale taalhomogeniteit. In dat proces cre-eerden de nationalisten het idee van een Vlaamse en Waalse economie, die er niet waren. Het diende hun streven naar een eigen natie. Van Goethem geeft, vanuit de koninklijke invalshoek, een interessante analyse hoe het tot de huidige communautaire situatie is gekomen. Hij wijst erop dat de staatshervorming van 1970, een ander scharniermoment, het uiteenvallen van België heeft bespoedigd. Zijn prognose is dat de federale staat voort verdampt en dat we een confederalisme krijgen waarin twee zo goed als onafhankelijke staten bepalen wat ze gezamenlijk willen uitoefenen. De auteur poneert dat België een eigen model zal ontwikkelen vanwege Brussel. Hoe paradoxaal ook, België heeft er heel wat bij te winnen, meent de professor. (T) HERMAN VAN GOETHEM, DE MONARCHIE EN HET 'EINDE VAN BELGIë', LANNOO, 2008, 255 BLZ., 24,95 EURO. Boudewijn Vanpeteghem