Beroepsgeheim en openheid
...

Beroepsgeheim en openheidDe scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht (de trias politica van Montesquieu) is één van de grote verworvenheden van de westerse cultuur en een belangrijke waarborg voor het behoud van de rechtsstaat. Dit betekent echter niet dat de drie machten noodzakelijkerwijze hermetisch van elkaar gescheiden moeten zijn. Deze theorie werd vooral ontwikkeld om de burger te beschermen tegen misbruik van de uitvoerende macht. De wetgever bepaalt het kader waarin de uitvoerende macht kan optreden, de rechterlijke macht ziet erop toe dat de wil van de wetgever gerespecteerd wordt. Het is een normaal en essentieel aspect van de wisselwerking tussen de machten dat, indien rechterlijke uitspraken politiek onaanvaardbaar zijn, de wetgever na een politiek debat de wetgeving wijzigt. Dit heeft nooit iemand betwist. Hooguit was er discussie over de mate waarin de wetgever dat met terugwerkende kracht kan doen.De wetgever kan evenwel niet alleen de wetten wijzigen die de rechter moet toepassen, maar ook binnen de grenzen van de grondwet (of mits grondwetswijziging) ingrijpen in de organisatie van de rechterlijke macht. De wetgever doet dit regelmatig zonder dat dit institutioneel controversieel hoeft te zijn : het procedurerecht is herhaaldelijk gewijzigd, de Raad van State werd opgericht, er zijn nieuwe Hoven van Beroep gecreëerd, enzovoort.SPANNING.De wetgever heeft overigens in onze grondwet, zoals in die van veel andere landen, een dubbele bevoegdheid : de eigenlijke wetgevende bevoegdheid en een onderzoeks- of enquêtebevoegdheid. Dit laatste ligt al heel wat gevoeliger. Het wordt niet echt betwist dat de enquêtebevoegdheid van het parlement ook de werking van het gerecht kan betreffen maar wanneer het parlement een onderzoek instelt naar de behandeling van een concrete zaak, ontstaat er onvermijdelijk een spanning tussen de algemene principes over de suprematie van de democratisch verkozen wetgever en de rechten van de verdediging.Het beroepsgeheim van magistraten die verhoord worden door een parlementaire commissie moet dus enigszins genuanceerd worden. Mijns inziens kunnen zij het beroepsgeheim niet inroepen, in zoverre het louter steunt op het principe van de scheiding der machten. Zij kunnen dat daarentegen wel doen wanneer het nodig is om rechten van partijen (en dus van burgers en niet van de rechterlijke macht zelf) te beschermen tenzij de enquêtecommissie ingesteld wordt bij wet en de wet terzake een andere regeling voorziet.DISCUSSIES.Het is een essentiële regel in een rechtsstaat dat de uitvoerende macht niet intervenieert in het beslechten van een geding (de rechtsprekende taak van de rechterlijke macht). De juiste verhouding tussen de delen van de uitvoerende macht die belast zijn met de handhaving van de orde (zoals Justitie en Binnenlandse zaken) en het Openbaar Ministerie (de opzoekings- en vervolgingstaak van de rechterlijke macht) ligt veel delicater. Het hoeft dus niet te verwonderen dat hierover regelmatig discussies ontstaan.De positie van de minister van Justitie is ook nog om een andere reden delicaat : hij moet zich, veel meer dan de wetgever, terughoudend opstellen tegenover alles wat de rechterlijke macht betreft, maar hij is wel politiek verantwoordelijk tegenover het parlement. Hij moet dus voorstellen kunnen formuleren betreffende nieuwe wetgeving, met inbegrip van de organisatie van de rechterlijke macht. Dit betekent onvermijdelijk dat hij zich een oordeel moet kunnen vormen over de manier waarop het gerechtelijk apparaat functioneert. Hij moet dit kunnen laten doorlichten in zoverre dit niet leidt tot enige schending van het beroepsgeheim.OMGEKEERD.Het handhaven van dit delicate evenwicht vergt heel wat tact en goede wil van beide zijden. De rechterlijke macht is terecht bekommerd dat politieke belangstelling voor de werking van het gerechtelijk apparaat zou kunnen leiden tot een afbrokkeling van de scheiding der machten. Het zekere voor het onzekere nemend, lijkt zij daarbij steeds meer geneigd om elke politieke uitspraak over de concrete werking van het gerechtelijk apparaat strijdig te achten met onze constitutionele principes.De scheiding is evenwel niet absoluut en kan dus ook niet met absolute regels gehandhaafd worden. Een overdreven afsluiten moet welhaast het omgekeerde effect hebben : wanneer één macht zich feitelijk onttrekt aan het constitutionele spel, zal zo niet de uitvoerende macht dan toch de wetgevende macht zich genoodzaakt zien de bakens te verzetten. Het gevaar is groot dat juist dan de grenzen tussen de machten worden verlegd.GEVAARLIJK.Ik ben er overigens van overtuigd dat de pers, alleszins binnen de perken van de eigen deontologie en dus met het nodige respect voor de rechtmatige belangen van alle betrokken partijen, moet kunnen schrijven over de werking van het gerechtelijk apparaat en het functioneren of disfunctioneren van leden van de rechterlijke macht. Deze laatste vertoont de neiging om zich aan dit toezicht te onttrekken door te stellen dat een rechter die niet mag reageren en zich dus niet kan verweren, ook niet direct door de pers kan worden bekritiseerd.Dit lijkt mij strijdig met onze grondwettelijke principes inzake de persvrijheid, en gevaarlijk voor een gezond functioneren van het democratisch spel tussen de machten. Het is trouwens de vraag of een rechter zich niet mag verweren. Het lijkt evident dat een rechter uiterst terughoudend moet zijn in contacten met de pers, zeker wanneer het gaat over zaken waarbij hij betrokken is. Parketmagistraten (die in het latere geding immers partij zijn en geen rechter) kunnen al meer zeggen, maar zijn ook gebonden door de regels inzake het onderzoeksgeheim.Zeker wanneer de zwijgplicht niet inherent is aan de functie, maar door de magistratuur zelf is opgelegd, kan zij moeilijk worden ingeroepen om zich af te schermen tegen kritiek van derden.De gebeurtenissen van de laatste maanden maken pijnlijk duidelijk dat we behoefte hebben aan een magistratuur die kritiek kan aanvaarden en die ook kan repliceren in de taal van de burger, om hem het gevoel te geven dat de bescherming van zijn rechten in goede handen is.JACQUES STEENBERGEN Dr. Jacques Steenbergen is advocaat-vennoot bij Loeff Claeys Verbeke en professor aan de KU-Leuven.